Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5050

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/3425
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a VwArt. 15, eerste lid, aanhef en onder b TerugkeerrichtlijnArt. 94, eerste lid VwArt. 95 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring wegens niet-naleving vertrektermijn vreemdeling

Eiser, een vreemdeling van Indiase nationaliteit, diende begin 2010 een aanvraag in voor verblijf bij een partner die gemeenschapsonderdaan is. Deze aanvraag werd op 6 mei 2010 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser stelde dat hem geen aanzegging tot vertrek was gedaan, maar de rechtbank oordeelde dat het besluit van 6 mei 2010 als terugkeerbesluit geldt en dat eiser een vertrektermijn is gegund.

Eiser werd in januari 2011 in bewaring gesteld omdat hij zich niet had gemeld bij de korpschef en de vertrektermijn niet had nageleefd. Hoewel de toelichting van verweerder over het niet melden onvoldoende was, vond de rechtbank dat de niet-naleving van de vertrektermijn voldoende grond bood voor de bewaring. Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte aannam dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken en dat een lichtere maatregel passend was.

De rechtbank verwierp deze verweren en stelde dat verweerder beoordelingsruimte heeft om te kiezen voor bewaring als middel om verwijdering te verzekeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Utrecht
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zaaknummer: AWB 11/3425
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], geboren op [1980], van Indiase nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam,
en
de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,
gemachtigde: mr. G.I. Ramsaroep
Procesverloop
Verweerder heeft op 29 januari 2011 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 februari 2011 de maatregel van bewaring opgeheven en eiser uitgezet naar India.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2011. Eiser en verweerder hebben bij gemachtigde het woord gevoerd.
Overwegingen
1. Nu de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van dit geschil zich tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de oplegging of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
2. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert aan dat de grond dat hij zich niet heeft gemeld bij de korpschef niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd.
4. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting van verweerder onvoldoende is gebleken dat eiser, vanwege de omstandigheid dat hij zich niet gemeld heeft bij de korpschef, de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure zou ontwijken of belemmeren in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b van de Terugkeerrichtlijn.
5. Eiser voert voorts aan dat verweerder op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen ten onrechte heeft aangenomen dat eiser zich aan zijn uitzetting zou onttrekken. Eiser stelt dat hem geen aanzegging is gedaan om Nederland te verlaten. Volgens eiser had verweerder een aanzegging moeten doen op 8 november 2010. Op laatstgenoemde datum was verweerder immers op de hoogte gesteld dat eiser een aanhangig beroep en verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank Amsterdam had ingetrokken. Het beroep was gericht tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2010 waarin het bezwaar tegen de afwijzing van eisers aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht ongegrond was verklaard. Volgens eiser had verweerder uit het bericht van 8 november 2010 moeten afleiden dat eiser niet meer rechtmatig in Nederland verbleef en hierop moeten reageren door aan eiser een vertrektermijn te stellen.
6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser met het besluit van 6 mei 2010 eerder is gewezen op zijn vertrekplicht en aan hem een vertrektermijn is gegund. Eiser was gehouden aan die vertrektermijn gevolg te geven. Dat eiser tegen dat besluit beroep heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening had gedaan, doet aan dat oordeel niet af. Bovendien heeft eiser dat beroep op 2 oktober 2010 ingetrokken en had hem in ieder geval op dat moment duidelijk moeten zijn dat hij Nederland binnen de gestelde vertrektermijn diende te verlaten. Verweerder was daarom niet gehouden aan eiser een nieuwe vertrektermijn te stellen. Nu eiser na verloop van de in de afwijzende beschikking genoemde vertrektermijn Nederland niet heeft verlaten, heeft verweerder eiser, in overeenstemming met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b van de Terugkeerrichtlijn, in bewaring mogen stellen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kan de grond dat eiser zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden de maatregel echter nog dragen, zodat dat deze niet in strijd is geweest met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is geweest.
8. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel, omdat eiser in het bezit is van een geldig paspoort en vanaf februari 2010 een vaste- woon en verblijfplaats heeft in Amsterdam.
9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 februari 2010, (LJN: BL3890) komt verweerder, indien er voor het opleggen van de maatregel van bewaring voldoende gronden zijn, bij de beantwoording van de vraag of met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan om de verwijdering te verzekeren, beoordelingsruimte toe. De rechtbank beoordeelt de door eiser opgeworpen vraag of verweerder had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel dan ook terughoudend. De rechtbank overweegt dat in het licht van de onder de inbewaringstelling gelegde grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn (waarmee hij er dus eerder blijk van heeft gegeven Nederland desgevraagd niet te willen verlaten), verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen grond is gelegen om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en het risico te aanvaarden dat eiser zich aan zijn uitzetting, gelet op de aanwezigheid van een geldig paspoort, die snel zou kunnen plaatshebben, zou ontrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. van Maurik en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2011.
De griffier: De rechter:
mr. L.Y. Wong mr. M.M. van Maurik
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Ingevolge artikel 95 van Pro de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.