ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5383
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van optie door moeder
Verzoeker, geboren in 1979 in Suriname als kind van een Nederlandse moeder, stelde dat hij sinds medio 1986 de Nederlandse nationaliteit bezit door een optieverklaring van zijn moeder namens hem. Hij baseerde dit op artikel 27 lid Pro 2 (oud) van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De IND betwistte dit en stelde dat geen bewijs is geleverd dat de moeder daadwerkelijk de optie heeft uitgeoefend. De rechtbank constateerde dat verzoeker bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg, maar door erkenning door een Surinaamse vader ook de Surinaamse nationaliteit bezat. De rechtbank onderzocht of de moeder in 1986 namens verzoeker heeft geopteerd, maar vond dit niet aannemelijk vanwege het bezit van een Surinaams paspoort door de moeder in die periode en het ontbreken van een optieverklaring in het nationaliteitenregister.
Ook de overgelegde getuigenverklaringen boden onvoldoende zekerheid. De rechtbank concludeerde dat het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap vanaf 1986 moet worden afgewezen. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om vaststelling van de Nederlandse nationaliteit sinds 1986 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van optie door de moeder.