ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5383

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
362572 - HA RK 10-157
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • P.A. Koppen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 2 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 1 aanhef en onder c Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschapArt. 3 aanhef en onder a Surinaamse nationaliteitswetArt. 2ter Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van optie door moeder

Verzoeker, geboren in 1979 in Suriname als kind van een Nederlandse moeder, stelde dat hij sinds medio 1986 de Nederlandse nationaliteit bezit door een optieverklaring van zijn moeder namens hem. Hij baseerde dit op artikel 27 lid Pro 2 (oud) van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

De IND betwistte dit en stelde dat geen bewijs is geleverd dat de moeder daadwerkelijk de optie heeft uitgeoefend. De rechtbank constateerde dat verzoeker bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg, maar door erkenning door een Surinaamse vader ook de Surinaamse nationaliteit bezat. De rechtbank onderzocht of de moeder in 1986 namens verzoeker heeft geopteerd, maar vond dit niet aannemelijk vanwege het bezit van een Surinaams paspoort door de moeder in die periode en het ontbreken van een optieverklaring in het nationaliteitenregister.

Ook de overgelegde getuigenverklaringen boden onvoldoende zekerheid. De rechtbank concludeerde dat het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap vanaf 1986 moet worden afgewezen. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om vaststelling van de Nederlandse nationaliteit sinds 1986 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van optie door de moeder.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
JKL
zaaknummer / rekestnummer: 362572 / HA RK 10-157
Beschikking van 14 februari 2011
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. R.P. Dielbandhoesing te Den Haag,
t e g e n:
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
belanghebbende,
vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.
Partijen worden hierna ook aangeduid met "[verzoeker]" en "de IND".
1. Het procesverloop
1.1.[verzoeker] heeft op 22 maart 2010 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat hij sedert 1986 over de Nederlandse nationaliteit beschikt, met veroordeling van de IND in de kosten van dit geding. Aanvullingen op het verzoekschrift zijn ontvangen bij brieven van 30 juni 2010 en 3 augustus 2010.
1.2.De IND heeft zich bij brieven van 25 mei 2010 en 20 juli 2010 op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en dat het verzoek daarom dient te worden afgewezen.
1.3.De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.
1.4.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats gevonden op donderdag 9 december 2010. Namens [verzoeker] is verschenen mr. Dielbandhoesing en namens de IND mr. C.M. Meijer.
2. Het verzoek en het verweer
2.1.[verzoeker] voert aan dat hij op [geboortedatum] 1979 in de republiek Suriname is geboren als natuurlijk kind van [moeder van verzoeker], van Nederlandse nationaliteit. Bij zijn geboorte verkreeg hij, gelet op de nationaliteit van zijn moeder, de Nederlandse nationaliteit. Op 7 oktober 1981 is hij erkend door [vader van verzoeker], van Surinaamse nationaliteit. Door deze erkenning verkreeg hij de Surinaamse nationaliteit. Medio 1986 hebben zijn ouders namens hem een optie uitgebracht voor de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] stelt dat hij door die optie op grond van het bepaalde in artikel 27 lid Pro 2 (oud) van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vanaf medio 1986 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
2.2.De IND stelt dat niet is gebleken dat de moeder van [verzoeker] gedurende de in artikel 27 lid Pro 2 (oud) RWN bedoelde optieperiode aantoonbaar de wil heeft geuit om ten behoeve van [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. Een optieverklaring is in het nationaliteitenregister van de Minister van Justitie niet aangetroffen.
3. De beoordeling
3.1.[verzoeker] heeft eerder, op 27 november 1998, een verzoek tot vaststelling van zijn Nederlandse nationaliteit ingediend. Bij beschikking van 10 november 1999 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen, omdat [verzoeker] door erkenning door een Surinaamse man in het bezit is gekomen van de Surinaamse nationaliteit. Anders dan in de eerste procedure voert [verzoeker] nu aan dat zijn ouders medio 1986 namens hem hebben geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.
3.2.De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande gegevens. [verzoeker] is op [geboortedatum] 1979 in Suriname geboren als natuurlijk kind van [moeder van verzoeker]. Hij verkreeg bij zijn geboorte, gelet op de Nederlandse nationaliteit van zijn moeder, op grond van artikel 1 aanhef Pro en onder c van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI), de Nederlandse nationaliteit. Op 7 oktober 1981 is [verzoeker] erkend door [vader van verzoeker], van Surinaamse nationaliteit. Door deze erkenning verkreeg [verzoeker] de Surinaamse nationaliteit. Op grond van artikel 3 aanhef Pro en onder a van de Surinaamse nationaliteitswet (Landsverordening van 24 november 1975, tot regeling van het Surinamerschap en het Ingezetenschap) en gelet op het bepaalde in artikel 2ter WNI, wordt [verzoeker] door deze erkenning geacht vanaf zijn geboorte in het bezit te zijn geweest van de Surinaamse nationaliteit. In de beschikking van 10 november 1999 heeft deze rechtbank dienovereenkomstig overwogen.
3.3.Ter zitting heeft mr. Dielbandhoesing verklaard dat [verzoeker] inmiddels op grond van het per 1 oktober 2010 geldende artikel 6 lid 1 onder Pro i RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. De rechtbank dient derhalve thans te beoordelen of [verzoeker] reeds eerder, vanaf medio 1986, in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit.
3.4.Op grond van het bepaalde in artikel 27 lid Pro 2 (oud) RWN kon de Nederlandse moeder van [verzoeker] in 1986 ten behoeve van [verzoeker] opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Het afleggen van een dergelijke optie was op dat moment vormvrij. Wel moet echter kunnen worden aangetoond dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat de moeder van [verzoeker] de wil had om [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit te doen verkrijgen. [verzoeker] voert daartoe aan dat zijn moeder in 1986 naar de Nederlandse ambassade te Paramaribo is geweest om aldaar namens hem voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.
3.5.Uit een door de IND overgelegde brief van 16 april 1999 van het Centraal Bureau voor Burgerzaken te Paramaribo blijkt dat aan de moeder van [verzoeker] op 29 februari 1984 een Surinaams paspoort is afgegeven. Dit paspoort was volgens de IND geldig tot 29 februari 1989. Hieruit valt af te leiden dat de moeder van [verzoeker] in die periode werd aangemerkt als Surinaams staatsburger. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de moeder van [verzoeker] terwijl zij in het bezit was van een Surinaams paspoort en er derhalve van uitgegaan zal zijn dat zij de Surinaamse nationaliteit bezat, in 1986 ten behoeve van haar zoon heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. Om een dergelijke optie met succes te kunnen uitbrengen diende zij immers zelf aantoonbaar in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank neemt hierbij tevens in overweging dat in de eerdere procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap van [verzoeker] door de raadsman is verklaard dat de moeder van [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 27 lid Pro 2 (oud) RWN bedoelde optieregeling, omdat zij niet bekend was met die regeling.
3.6.Ook de door [verzoeker] overgelegde verklaringen van de schoonmaakster, een kennis, een voormalig werknemer van het Centraal Bureau voor Burgerzaken en de eigenaar van een juwelierszaak, geven onvoldoende zekerheid om te kunnen concluderen dat de moeder van [verzoeker] in 1986 bij de Nederlandse ambassade te Paramaribo bedoelde optie heeft uitgebracht. Degenen die de verklaringen hebben opgesteld zijn immers geen van allen met de moeder van [verzoeker] op de ambassade aanwezig geweest. De verklaringen van de moeder van [verzoeker] en haar echtgenoot zijn, zonder aanvullend bewijs, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat het de bedoeling was ten behoeve van [verzoeker] voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.
3.7.Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om vast te stellen dat [verzoeker] reeds sedert 1986 over de Nederlandse nationaliteit beschikt, dient te worden afgewezen.
3.8.De proceskosten zullen zodanig worden gecompenseerd dat partijen elk de eigen kosten zullen dragen.
4.De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af en bepaalt dat partijen elk de eigen kosten van deze procedure zullen dragen.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Koppen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.