ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7920
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker, ongewenst verklaard en wonende in Nederland, verzocht om opheffing van deze verklaring en een voorlopige voorziening om als niet ongewenst behandeld te worden. De rechtbank bevestigt het eerdere oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak dat de artikelen 3 en 8 EVRM de ongewenstverklaring niet in de weg staan.
Verzoeker stelde medische noodzaak en familie- en gezinsleven aan als bijzondere omstandigheden, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen. Ook de door de President van het EHRM getroffen interim measure leidt niet tot een andere beoordeling, aangezien deze slechts een ordemaatregel is en niet gebaseerd op een inhoudelijk onderzoek.
De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening in zaken over ongewenstverklaring slechts kan leiden tot tijdelijke schorsing van uitzetting en dat een verdergaande voorziening alleen onder zeer bijzondere omstandigheden mogelijk is. Deze omstandigheden zijn niet aannemelijk gemaakt, waardoor het verzoek wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de opheffing van de ongewenstverklaring wordt afgewezen.