ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9523
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken zicht op verwijdering naar China binnen redelijke termijn
Eiser, een Chinese onderdaan, werd op 6 maart 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege illegaal verblijf en een terugkeerbesluit. De rechtbank beoordeelde of de bewaring rechtmatig en proportioneel was, mede aan de hand van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG.
Verweerder stelde dat er zicht was op verwijdering naar China, verwijzend naar toezeggingen van de Chinese autoriteiten in 2010 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2011. Eiser betoogde dat sinds juni 2010 geen nieuwe laissez passer zijn afgegeven en dat het overleg tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten sinds november 2010 is stilgevallen.
De rechtbank stelde vast dat de Chinese autoriteiten sinds juni 2010 geen nieuwe laissez passer hebben verstrekt, ondanks meerdere aanvragen met identiteitsbewijzen. De informatie van verweerder over gepland overleg in maart 2011 was onvoldoende concreet en overtuigend. De rechtbank concludeerde dat er geen redelijke verwachting meer bestaat dat de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn laissez passer zullen afgeven.
Daarom werd het beroep van eiser gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter N.A. Vlietstra op 21 maart 2011.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en heft de bewaring van eiser op wegens het ontbreken van zicht op verwijdering naar China binnen een redelijke termijn.