ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9599
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Somaliland
Eiser, een Somalische vreemdeling, werd op 10 november 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. Na een eerdere uitspraak waarin de voortzetting van de bewaring niet onrechtmatig werd bevonden, is nu beoordeeld of nieuwe feiten en omstandigheden het voortduren van de bewaring onrechtmatig maken.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen zicht was op uitzetting naar Somaliland, mede omdat het Memorandum of Understanding (MoU) met Somaliland buiten werking zou zijn gesteld en gedwongen uitzettingen niet plaatsvinden. Verweerder erkende juridische belemmeringen voor uitzetting via Mogadishu, maar verwees naar lopende onderhandelingen met Somaliland om het MoU uit te breiden en gedwongen terugkeer mogelijk te maken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder enige tijd gegund mocht worden om zich te beraden op de situatie, maar dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarom is de bewaring met ingang van 28 januari 2011 onrechtmatig geworden en dient deze te worden opgeheven.
Daarnaast is een schadevergoeding toegekend van €80 per dag voor 51 dagen detentie, totaal €4.080, vanwege de onrechtmatige bewaring. Verweerder is veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Bewaring opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Somaliland en toekenning van €4.080 schadevergoeding.