ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0453
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.J.B. Cornelissen
- M. van Loenen
- H.H. den Haan
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over inburgeringsexamen als voorwaarde voor mvv bij gezinshereniging
Eiseres, een onderdaan van een derde land, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar echtgenoot in Nederland. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet had aangetoond het basisexamen inburgering in het buitenland met goed gevolg te hebben afgelegd, noch dat zij daarvoor vrijstelling kon krijgen. Eiseres betwistte dat het inburgeringsvereiste correct is geïmplementeerd en stelde dat het in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn, het EVRM, het Handvest en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
De rechtbank overwoog dat de bewoordingen van artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn duidelijk en onvoorwaardelijk zijn, zodat eiseres daarop rechtstreeks beroep kan doen. Tegelijkertijd erkende de rechtbank dat de richtlijn lidstaten een beoordelingsmarge toekent, maar dat de nationale rechter kan toetsen of die marge niet wordt overschreden. De kernvraag is of het Nederlandse beleid om het inburgeringsexamen in het buitenland te eisen niet te strikt is en afbreuk doet aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn, die gezinshereniging bevordert.
De rechtbank stelde vast dat in andere taalversies van de richtlijn wordt gesproken over integratiemaatregelen en niet over integratievoorwaarden, wat kan impliceren dat het eisen van een geslaagd inburgeringsexamen in het buitenland te ver gaat. Ook achtte de rechtbank van belang dat verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden beoordeeld, hetgeen mogelijk onvoldoende gebeurt bij het stellen van het algemene inburgeringsvereiste. Daarom verzocht de rechtbank het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de vraag of artikel 7, tweede lid, van de richtlijn toestaat dat een lidstaat de toegang en verblijf van een gezinslid weigert uitsluitend omdat het inburgeringsexamen in het buitenland niet is behaald, met daarbij diverse subvragen over bijzondere omstandigheden zoals de situatie van het gezinslid en de belangen van minderjarige kinderen.
De behandeling van het beroep werd geschorst totdat het Hof uitspraak doet. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank schorst de behandeling en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de verenigbaarheid van het inburgeringsexamen in het buitenland met de Gezinsherenigingsrichtlijn.