ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0609
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing vertrouwensbeginsel bij belastingheffing kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule
Eiser sloot in de jaren 1983, 1984 en 1985 drie kapitaalverzekeringen af, waarvan twee met een lijfrenteclausule. In 2006 ontvingen eiser uit deze polissen uitkeringen die hij niet aangaf in zijn belastingaangifte. Verweerder corrigeerde dit en rekende het saldo van uitkeringen en koopsommen tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
Eiser stelde dat de uitkeringen niet belast waren omdat de lijfrenteclausule optioneel was of ontbrak, en dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht aannemen dat deze uitkeringen niet tot het inkomen uit werk en woning behoorden. Verweerder bestreed dit en verwees naar de fiscale behandeling van de partner van eiser in 2002, waarbij een soortgelijke uitkering aanvankelijk in box 1 werd belast, maar na bezwaar werd gecorrigeerd naar box 3.
De rechtbank oordeelde dat, gelet op de feitelijke en juridische verwevenheid van de fiscale aangelegenheden van partners, het vertrouwen dat eiser mocht ontlenen aan de fiscale behandeling van zijn partner gerechtvaardigd was. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, matigde de aanslag en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten.
De rechtbank benadrukte dat het overgangsrecht inzake kapitaalverzekeringen complex is en dat uitlatingen van de fiscus in dat kader extra gewicht krijgen. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagde omdat het vertrouwen niet in strijd was met een juiste wetstoepassing die eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard en de belastingaanslag wordt verminderd met toepassing van het vertrouwensbeginsel.