ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0957

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
377896 - HA RK 10-564
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.J. Paris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WtbzArt. 3 lid 2 OnteigeningswetArt. 3 lid 3 WtbzArt. 217 RvArt. 218 Rv
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen griffierecht voor tussenkomst in onteigeningszaken afgewezen

Verzoeker diende verzet in tegen het door de griffier geheven vast griffierecht van €1.147 per onteigeningszaak, waarin hij als tussenkomende partij optrad namens pachters. Hij stelde dat het griffierecht slechts over zijn eigen financieel belang van circa €2.661 per zaak berekend moest worden, niet over de totale schadeloosstelling toegekend aan de eigenaren.

De rechtbank oordeelde dat de Wet tarieven burgerlijke zaken (Wtbz) bepaalt dat het vastrecht in onteigeningszaken wordt berekend over de totale som van de toegekende schadeloosstelling, ongeacht de verdeling tussen eigenaar en andere belanghebbenden zoals pachters. De tussenkomst van verzoeker wordt gezien als een nieuw geding waarvoor een gelijk vastrecht geldt als in de hoofdzaak.

De rechtbank verwierp het verzet en bevestigde dat het griffierecht correct is vastgesteld op basis van de totale schadeloosstelling. Ook het feit dat verzoeker een schikking trof zonder rechterlijke vaststelling van schadeloosstelling doet hieraan niet af. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen het geheven griffierecht wordt ongegrond verklaard en het vastrecht is correct vastgesteld.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
mva
zaaknummer / rekestnummer: 377896 / HA RK 10-564
Beschikking van 7 april 2011
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. C. van Schaik te Zwolle,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE,
verweerder,
vertegenwoordigd door [naam griffier].
Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en de griffier.
1.De procedure
1.1.[verzoeker] heeft op 30 september 2010 een verzoekschrift ex artikel 25 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) ingediend, waarin hij zich verzet tegen het door de griffier in een drietal zaken bij hem in rekening gebracht vast recht van telkens € 1.147,--.
1.2.De griffier heeft op 21 december 2010 een verweerschrift ingediend.
1.3.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 24 februari 2011. Voor verzoeker is verschenen mr. Van Schaik en voor de griffier [naam griffier]. Zij hebben pleitaantekeningen overgelegd.
2.Het verzoek
2.1.[verzoeker] verzet zich tegen de hoogte van het van hem geheven recht in de onteigeningszaken:
-325482 / HA ZA 08-3981 tussen het Bureau Beheer Landbouwgrond (hierna: BBL) als eiser en [A] als gedaagde,
-325486 / HA ZA 08-3984 tussen BBL als eiser en [B] en [C] als gedaagden, en
-325497 / HA ZA 08-3991 tussen BBL als eiser en [D] als gedaagde.
[verzoeker] voert het volgende aan. In deze zaken is hij als pachter op grond van artikel 3 lid 2 Onteigeningswet Pro (Ow) tussengekomen. Dat is geen tussenkomst als bedoeld in artikel 217 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De griffier is dan ook bij de vaststelling van het vast recht voor [verzoeker] ten onrechte van artikel 3 lid 3 Wtbz Pro uitgegaan. Daar komt bij dat [verzoeker] kort na de descente met BBL een schikking heeft bereikt over een schadeloosstelling van in totaal € 7.983,-- netto. Dat komt neer op een voor hem als pachter financieel belang van € 2.661,-- per zaak. Het griffierecht voor [verzoeker] dient dan ook op grond van dat belang te worden berekend. Ten onrechte heeft de griffier bij de vaststelling van het definitief verschuldigde vast recht de toegewezen schadeloosstelling aan gedaagden mede in aanmerking genomen.
2.2.De griffier heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het verzet.
3.De beoordeling
3.1.In de betreffende zaken heeft de griffier na uitroeping van de zaak op 3 december 2008 op grond van de som die in de dagvaardingen als schadeloosstelling is aangeboden, het vast recht in elk van die zaken, op grond van artikel 2 lid 2 sub Pro 2 onder f Wtbz, voorshands vastgesteld op het maximale bedrag van € 4.787,-- voor de eiser en € 1.147,-- voor de gedaagden.
3.2.[verzoeker] heeft op 17 december 2008 tussenkomst verzocht en is op 28 januari 2009 bij afzonderlijk vonnis in elk van de drie onteigeningszaken als tussenkomende partij toegelaten. Artikel 3 lid 3 Wtbz Pro bepaalt dat een vordering tot tussenkomst geldt als het aanvangen van een nieuw geding en dat daarvoor een gelijk bedrag aan vast recht verschuldigd is als voor de vordering in het oorspronkelijke geding. Voor [verzoeker] komt dat dan ook neer op een (voorshands) vast recht van € 1.147,-- per zaak. Dat de grond om tussen te komen is gelegen in artikel 3 lid 3 Ow Pro maakt dat niet anders. [verzoeker] is als tussenkomende partij daadwerkelijk gaan deelnemen aan het oorspronkelijke geding en uit de bedoeling van de Wtbz volgt dat van hem een recht wordt geheven gelijk aan dat in de hoofdprocedure. Bovendien zijn ingevolge artikel 2 Ow Pro de bepalingen van Rv op het geding tot onteigening van toepassing voor zover daarvan niet is afgeweken in de Ow. De tussenkomst van [verzoeker] wordt dan ook beheerst door de artikelen 217 tot en met 219 Rv.
3.3.Nu de procedure voor wat betreft [verzoeker] is geëindigd met de met BBL getroffen schikking en aldus ten aanzien van [verzoeker] geen uitspraak is gevolgd, is voor [verzoeker] (de hoogte van) het voorshands geheven vast recht (de hoogte van) het definitieve vast recht geworden (Memorie van Toelichting II 1997-1998 25926 nr. 3).
3.4.Het standpunt van [verzoeker] dat het vast recht voor hem dient te worden vastgesteld aan de hand van de hoogte van enkel de hem toekomende schadeloosstelling, vindt geen steun in de Wtbz. Artikel 2 sub Pro 2 lid 2 onder f bepaalt dat in onteigeningszaken het vastrecht wordt vastgesteld aan de hand van de hoogte van de som die als schadeloosstelling wordt toegekend en voorshands aan de hand van de hoogte van de schadeloosstelling die wordt aangeboden. Hoewel - anders dan de griffier betoogt - aannemelijk is dat met "som" "geldsom" wordt bedoeld (de terminologie is kennelijk ontleend aan artikel 22 Ow Pro), is dat niet een aanwijzing voor het standpunt van [verzoeker]. Redengevend daartoe is het volgende. Bij algemene civiele vorderingen geldt dat het financieel belang van de zaak bepalend is voor de hoogte van het griffierecht (HR 30 maart 1990, NJ 1990, 515). Voor de bepaling van griffierecht in onteigeningszaken is aansluiting gezocht bij de regeling voor algemene civiele vorderingen (Nota naar aanleiding van het verslag, II, 1998-1999, 25926, nr.7). Het financieel belang in onteigeningszaken komt neer op het bedrag dat aan schadeloosstelling aangeboden, althans toegekend wordt. De schadeloosstelling komt in principe aan de eigenaar toe, doch kan indien er andere belanghebbenden zijn (zoals pachters) tussen hen en de eigenaar verdeeld worden. Met andere woorden: als grondslag voor de berekening van het vast recht geldt de omvang van de totale geldsom van de (aangeboden) schadeloosstelling.
Het door verzoeker aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 17 juli 1995 (NJ 1995, 749) is gewezen vóór bedoelde wetswijziging en is mitsdien niet bepalend voor uitleg van de wet ten tijde van bedoelde onteigeningsprocedures.
3.5.De rechtbank merkt nog op dat indien [verzoeker] door BBL in de dagvaarding als derde belanghebbende genoemd zou zijn en [verzoeker] vervolgens zou interveniëren, de hoogte van het vast recht - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet op een ander (lager) bedrag zou zijn vastgesteld.
3.6.De omstandigheid dat [verzoeker] met BBL een schikking heeft getroffen en de schadeloosstelling niet door de rechtbank heeft laten vaststellen wat tot een kostenveroordeling aan de zijde van BBL zou hebben kunnen leiden, is voor rekening en risico van [verzoeker].
3.7.Het voorgaande leidt ertoe dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2011.