ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1014
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schorsing uitzetting op grond van risico schending artikel 3 EVRM bij overdracht aan Malta
Verzoeker, een Somalische asielzoeker, diende een aanvraag tot verblijfsvergunning in Nederland in, die werd afgewezen omdat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening (Vo 343/2003). Verzoeker stelde dat overdracht aan Malta een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert wegens risico op foltering of onmenselijke behandeling, verwijzend naar het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland en rapporten van Amnesty International en Artsen zonder Grenzen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende had gemotiveerd, waardoor sprake was van een ondeugdelijke motivering. Desondanks werd het beroep gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand. De rechter benadrukte dat verzoeker concrete aanknopingspunten en bewijs moet leveren waaruit blijkt dat Malta zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat er een reëel risico op refoulement bestaat.
De rechter concludeerde dat uit de stukken niet blijkt dat de situatie in Malta vergelijkbaar is met die in Griekenland zoals in het M.S.S.-arrest, en dat Malta een hoger percentage asielaanvragen toewijst en betere opvang biedt. Daarom kon verweerder zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel beroepen en was het verzoek tot schorsing van uitzetting niet gegrond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van uitzetting naar Malta wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.