ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2116
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt ondernemerschap verzoeker voor VAR-verklaring 2010
Verzoeker diende in 2010 meerdere aanvragen in voor een Verklaring arbeidsrelatie (VAR) bij de Belastingdienst, waarbij de Belastingdienst aanvankelijk de inkomsten als loon uit dienstbetrekking aanmerkte. Na bezwaar wijzigde de Belastingdienst dit in resultaat uit overige werkzaamheden, maar verzoeker bleef van mening dat sprake was van winst uit onderneming. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep waarbij verzoeker aannemelijk maakte dat hij als ondernemer handelde via een vennootschap onder firma (v.o.f. 2) die duurzame organisatie van kapitaal en arbeid vormde.
De voorzieningenrechter nam in aanmerking dat verzoeker zelfstandig zijn tarieven bepaalde, ondernemersrisico droeg, reclame maakte en geen gezagsverhouding met opdrachtgevers bestond. De overeenkomsten met opdrachtgevers wezen niet op strikte coördinatie of persoonlijke uitvoering van werkzaamheden door verzoeker. De rechtbank oordeelde dat verzoeker voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in 2010 een onderneming dreef en vernietigde de eerdere beschikking van de Belastingdienst.
Daarnaast stelde de voorzieningenrechter vast dat de Belastingdienst verzoeker niet voldoende had gehoord en niet alle stukken ter inzage had gegeven, maar zag hiervan af om de zaak opnieuw te laten behandelen. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep gegrond werd verklaard en de uitspraak in de hoofdzaak volstond.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de Belastingdienst wordt opgedragen een VAR-verklaring winst uit onderneming af te geven voor 2010.