ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3243

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/8083 IB/PVV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.11 Wet inkomstenbelasting 2001Artikel 8:67 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bosbouwvrijstelling niet van toepassing bij verkoop snijgroen boven instandhouding bomen

Eiser exploiteert samen met zijn zoon een tuindersbedrijf dat zich richt op het kweken van planten en het snoeien van bomen voor de verkoop van snijgroen. Voor het jaar 2007 heeft eiser in zijn aangifte inkomstenbelasting verzocht om toepassing van de bosbouwvrijstelling.

De inspecteur heeft dit verzoek geweigerd omdat volgens hem het bedrijfsproces gericht is op de verkoop van snijgroen en niet op het in stand houden van de bomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de instandhouding van de bomen op de voorgrond staat, zoals vereist voor de bosbouwvrijstelling.

De rechtbank overweegt dat hoewel de bomen in stand blijven, het bedrijfsproces vooral gericht is op het afzetten van gedeelten van de bomen voor verkoop. Dit betekent dat de instandhouding van de bomen niet op de voorgrond staat. De bosbouwvrijstelling is daarom niet van toepassing en het beroep wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de verkoop van snijgroen op de voorgrond staat en niet de instandhouding van de bomen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Afdeling 4, enkelvoudige kamer
Procedurenummer: AWB 10/8083 IB/PVV
Uitspraakdatum: 14 april 2011
Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 26 oktober 2010 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.790 (aanslagnummer [nummer]) en de aan eiser voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet naar een heffingsgrondslag van € 30.623 (aanslagnummer [nummer]).
I ZITTING
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011.
Namens eiser is verschenen [A]. Namens verweerder is verschenen
[B].
II BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
III OVERWEGINGEN
3.1. Eiser exploiteert in vennootschappelijk verband met zijn zoon een tuindersbedrijf.
De activiteiten van de VOF bestaan uit het kweken van planten in potten en uit het snoeien van bomen voor de verkoop van snijgroen op de veiling
3.2. Eiser heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2007 voor een deel van de winst verzocht om toepassing van de vrijstelling voor het bosbedrijf (hierna: de bosbouwvrijstelling). Verweerder heeft toepassing van de bosbouwvrijstelling geweigerd.
3.3. Tussen partijen is in geschil eiser recht heeft op toepassing van de bosbouwvrijstelling. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in het onderhavige geval het in stand houden van de bomen op de voorgrond staat.
3.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.11, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 behoren voordelen uit bosbedrijf niet tot de winst.
3.5. Blijkens de parlementaire geschiedenis is het belang van de bosbouwvrijstelling gelegen "in het bezit van een goeden boschstand." Dit belang heeft zich in de jurisprudentie sinds 1947 vertaald in het "op den voorgrond staan het intacthouden van het bos" (HR 10 december 1947, B.8426), aan welke instandhoudingseis ook bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp, leidende tot de Wet van 24 juni 1994, Stb. 497, die betrekking heeft op de bosbouwvrijstelling, is vastgehouden.
3.6. Niet in geschil is dat de bomen in stand blijven. Slechts in geschil is of instandhouding van de bomen op de voorgrond staat. Eiser stelt dat dit het geval is en voert hiertoe aan dat er niet méér wordt gekapt dan normaal bosbeheer meebrengt en dat het kappen zo nodig wordt gevolgd door herinplant.
3.7. Verweerder stelt dat in het onderhavige geval sprake is van een normale bedrijfsuitoefening, waarbij het in stand houden van de bomen niet op de voorgrond staat.
3.8. Vaststaat dat het bedrijfsproces erop is gericht om onder instandhouding van de bomen gedeelten daarvan af te scheiden en te verkopen. Aldus staat, naar het oordeel van de rechtbank, de verkoop van het snijgroen op de voorgrond en niet de instandhouding van de bomen. De bosbouwvrijstelling is mitsdien niet van toepassing.
3.9. Gelet op hetgeen de rechtbank onder 3.8 heeft overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
3.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. W.M.M.A. van der Vegt.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.