ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7242
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- L.C. Michon
- P. Bruins-Langedijk
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit zonder vertrektermijn in vreemdelingenbewaring
Verzoeker, een vreemdeling van Burkinese nationaliteit, is in vreemdelingenbewaring geplaatst na een terugkeerbesluit van 17 maart 2011 waarin hem werd bevolen Nederland onmiddellijk te verlaten zonder een vertrektermijn te krijgen. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zijn uitzetting wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het ontbreken van een vertrektermijn in overeenstemming was met de Europese Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, die bepaalt dat een passende termijn van 7 tot 30 dagen moet worden gegeven voor vrijwillig vertrek, tenzij er objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria zijn die een risico op onderduiken aannemelijk maken. De nationale wetgeving, met name artikel 62 lid 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, bevat volgens de rechter geen dergelijke objectieve criteria.
De rechtbank verwees naar het arrest van het Europese Hof van Justitie (C-61/11) en eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd vastgesteld dat beleidsregels geen wettelijke criteria zijn. Omdat de overheid niet aannemelijk had gemaakt dat minder ingrijpende middelen niet toepasbaar waren, oordeelde de voorzieningenrechter dat het terugkeerbesluit niet in overeenstemming was met de richtlijn.
Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en werd de overheid verplicht alsnog een vertrektermijn van minimaal zeven dagen te verlenen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verplicht de overheid een vertrektermijn van minimaal zeven dagen te verlenen aan de vreemdeling in bewaring.