ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7870
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring wegens disproportionaliteit na langdurig verblijf zonder vergunning
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, werd in 2006 ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank vastgesteld dat de ongewenstverklaring aanvankelijk rechtmatig was.
De rechtbank overweegt dat artikel 3 EVRM Pro duurzaam uitzetting verbiedt, maar dat de ongewenstverklaring disproportioneel kan zijn bij een langdurig verblijf zonder vergunning. Aansluitend op eerdere jurisprudentie oordeelt de rechtbank dat indien een vreemdeling gedurende tien jaar een verblijfsvergunning is onthouden, het langer handhaven van een ongewenstverklaring disproportioneel is.
In deze zaak verbleef eiser bijna 13 jaar zonder vergunning, waardoor de rechtbank de ongewenstverklaring als disproportioneel beschouwt. Verweerder kon daarom niet meer overgaan tot de ongewenstverklaring en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank herroept het primaire besluit van 2006 om verdere rechtsgevolgen te voorkomen, zonder dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser. Partijen kunnen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de ongewenstverklaring en herroept het primaire besluit wegens disproportionaliteit na langdurig verblijf zonder vergunning.