ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8962
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China
Eiser, een Chinese vreemdeling, is op 8 oktober 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze vrijheidsontneming en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de bewaring tot 19 april 2011 rechtmatig geacht, maar nu is de vraag of er nog steeds een redelijk vooruitzicht bestaat op verwijdering naar China.
De minister heeft inspanningen verricht om de Chinese autoriteiten te bewegen laissez passers af te geven, waaronder gesprekken met de Chinese ambassadeur. Echter, sinds juni 2010 zijn geen laissez passers verstrekt aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Het laatste overleg op 4 mei 2011 leverde geen concrete afspraken op en er is geen duidelijkheid over een termijn voor verandering in de houding van de Chinese autoriteiten.
De rechtbank concludeert dat er geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering van eiser naar China binnen een redelijke termijn, mede gelet op het ontbreken van een geldig Chinees identiteitsbewijs of paspoort en de lange duur van de bewaring. De bewaring wordt daarom met ingang van 28 mei 2011 onrechtmatig geacht.
Eiser krijgt voor de periode van 28 mei tot 16 juni 2011 een schadevergoeding van €1.520,- toegekend, gebaseerd op richtlijnen voor immateriële schadevergoeding bij voorlopige hechtenis. Tevens worden de proceskosten van €874,- aan eiser toegekend. De maatregel tot vrijheidsbeneming wordt opgeheven met ingang van 16 juni 2011.
Uitkomst: Bewaring wordt opgeheven wegens ontbreken redelijk vooruitzicht op verwijdering en schadevergoeding en proceskosten worden toegekend.