ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8978
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na opheffing bewaring wegens tijdelijk gebrek aan zicht op uitzetting naar Syrië
Eiser, een Syriër, werd op 5 april 2011 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat vanaf 16 mei 2011 geen zicht meer bestond op zijn uitzetting naar Syrië, waardoor de voortzetting van de bewaring onrechtmatig was en hij aanspraak maakte op schadevergoeding. Verweerder stelde dat er weliswaar geen onomkeerbare stappen werden genomen, maar dat dit een tijdelijke belemmering betrof en dat er geen vertrekmoratorium gold.
De rechtbank heropende het onderzoek na vragen over de onderbouwing van eiser en concludeerde dat de verwijzing naar Kamervragen over Libië onjuist was. Wel bleek uit een algemeen overleg dat er een beleidslijn was om geen onomkeerbare stappen te nemen richting Syrië, maar dat er nog geen vertrekmoratorium was ingesteld. Op 10 juni 2011 werd de bewaring van eiser opgeheven vanwege onvoldoende zicht op uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat het tijdelijke karakter van de opschorting en het beraad over een mogelijk vertrekmoratorium de rechtmatigheid van de bewaring tot 10 juni 2011 niet aantastte. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.