ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1998

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11-14186
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.A. Zijlstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 8.7 VbArt. 8.8 VbArt. 8.11 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren bewaring en rechtmatig verblijf partner EU-onderdaan

Eiseres, van Ghanese nationaliteit, stelde beroep in tegen de voortzetting van haar bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was eerder getoetst en toen rechtmatig bevonden. Het geschil betrof nu de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na het sluiten van het eerdere onderzoek.

Eiseres voerde aan dat verweerder niet voortvarend had gehandeld bij haar aanvraag om toetsing aan het EU-gemeenschapsrecht en dat zij als partner van een EU-onderdaan rechtmatig verblijf ontleent aan het gemeenschapsrecht. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld en dat de rechtbank zelfstandig dient te beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf is voldaan.

De rechtbank stelde vast dat eiseres niet beschikte over een geldig paspoort, een vereiste voor rechtmatig verblijf volgens het Vreemdelingenbesluit 2000. Hierdoor ontbrak het aan rechtmatig verblijf en was de voortzetting van de bewaring niet in strijd met de wet. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De rechtbank wees tevens een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Utrecht
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
zaaknummer: AWB 11/14186
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], geboren op [1987], eerder bekend onder de naam [andere naam eiseres], geboren op [1987], van Ghanese nationaliteit, eiseres,
gemachtigde: mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam,
en
de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,
gemachtigde: mr. F.S. Schoot.
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 maart 2011 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de bewaring beroep ingesteld bij deze rechtbank. Daarbij is verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiseres heeft hierop gereageerd.
Op 9 mei 2011 heeft de gemachtigde van eiseres nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 mei 2011.
Eiseres en verweerder hebben bij gemachtigde het woord gevoerd.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 april 2011 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiseres heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van haar aanvraag om toetsing aan het EU-gemeenschapsrecht van 28 maart 2011. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van de bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 27 februari 2009 (LJN: BH 6168) en de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Gravenhage van 17 juni 2010 (LJN: BN0073).
4. Uit de stukken blijkt dat de aanvraag van eiseres om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vw, op 1 april 2011 is ingediend. Deze aanvraag is op 8 april 2011 door verweerder in behandeling genomen. Voorts is de partner van eiseres op 20 april 2011 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag van eiseres toe te lichten. Vervolgens heeft verweerder op 28 april 2011 op de aanvraag van eiseres beslist. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
5. Vervolgens heeft eiseres aangevoerd dat zij een duurzaam relatie heeft met haar partner de heer [partner eiseres], een EU-onderdaan. Als partner van een burger van de Unie ontleent eiseres rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht rechtmatig verblijf in Nederland. Daarnaast dient de rechtbank zelfstandig te beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan, aldus eiseres. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van 3 mei 2010 van de ABRvS (LJN: BM5541).
6. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat in navolging van de uitspraak van ABRvS van 3 mei 2010 de rechter in vreemdelingenzaken in het kader van de beoordeling van de bewaring zelfstandig dient te beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan.
7. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb) is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 EG/EER van het Vb van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. Ingevolge het vierde lid, van het Vb voor zover thans van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met de vreemdeling heeft. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van het Vb voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt over een geldig paspoort, rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis. Ingevolge artikel 8.8, vierde lid, van het Vb wordt een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor de grensoverschrijding, niet uitgezet dan nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze te laten vaststellen of bewijzen dat hij recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
Gelet op artikel 8.11, tweede lid, van het Vb gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vb, is voor rechtmatig verblijf op grond van eerstgenoemd artikellid vereist dat de betrokken vreemdeling, naast deugdelijk bewijs van zijn duurzame relatie met een burger van de Unie, beschikt over een geldig paspoort. Uit het dossier kan de rechtbank niet opmaken dat eiseres over een geldig paspoort beschikt. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 11 april 2011 (AWB 11/9629) rechtsoverweging 11. Reeds daarom is geen sprake van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.11 van het Vb. Aan de beoordeling of de vreemdeling een deugdelijk bewezen duurzame relatie met een burger van de Unie heeft, wordt gelet hierop niet toegekomen.
8. Gelet op het voorgaande en artikel 96, derde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.A. Zijlstra, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2011.
De griffier: De rechter:
K. el Mourabit mr. C.A. Zijlstra
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.