ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2435

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/9088 IB/PVV
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:67 AwbArt. 8:72 lid 4 AwbArt. 9 lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van verzuimboete wegens schending hoorplicht en onevenredigheid

Eiseres heeft de aangifte inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor 2008 niet tijdig ingediend, waarop verweerder een verzuimboete van €226 oplegde. Eiseres stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat zij niet werd gehoord in de bezwaarprocedure, ondanks haar verzoek daartoe.

De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden en dat verweerder niet kon volstaan met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro om daaraan voorbij te gaan. De rechtbank vernietigde daarom de uitspraak op bezwaar en besloot zelf in de zaak te voorzien, zoals door eiseres verzocht.

Verder vond de rechtbank de opgelegde boete van €226, gelet op de omstandigheden waaronder het eerste verzuim plaatsvond en de hoogte van de verschuldigde belasting, onevenredig hoog. De boete werd daarom verminderd tot €106. Tevens werden de proceskosten van €874 en het betaalde griffierecht van €41 aan eiseres toegewezen.

Uitkomst: De verzuimboete is verminderd van €226 naar €106 vanwege schending van de hoorplicht en onevenredigheid.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Afdeling 4, enkelvoudige kamer
Procedurenummer: AWB 10/9088 IB/PVV
Uitspraakdatum: 30 juni 2011
Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 16 november 2010 op het bezwaar van eiseres tegen de boetebeschikking, gegeven bij de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]).
I ZITTING
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde [A]. Namens verweerder is verschenen [B].
II BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de boete tot een bedrag van € 106 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van € 874 aan eiseres te voldoen;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.
III OVERWEGINGEN
Eiseres heeft verzocht in de bezwaarfase te worden gehoord. Verweerder heeft daaraan geen gevolg gegeven. Uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op een aan eiseres schriftelijk gedaan verzoek om binnen 14 dagen te reageren voor het maken van een afspraak, kon verweerder niet afleiden dat eiseres (stilzwijgend) afstand deed van het recht om te worden gehoord (Hoge Raad, 15 mei 2009, nr. 08/00437, LJN BI3751).
Gelet hierop is de beslissing op bezwaar genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Naar het oordeel van de rechtbank leent het onderhavige geval zich er niet voor om met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Het geschil betreft een boete. Boeten vloeien, anders dan de belastingschuld, niet rechtstreeks voort uit de wet. Voor het ontstaan van een boete is een beslissing van verweerder nodig. Bij die beslissing komt verweerder, nu de wet slechts de ten hoogste op te leggen boeten vermeldt, een zekere beleidsvrijheid toe.
Omdat de hoorplicht is geschonden en de rechtbank daaraan niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb voorbij kan gaan, heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd. De rechtbank had na deze vernietiging de keuze de zaak terug te wijzen naar verweerder, met opdracht de belastingplichtige alsnog volgens de regels te horen, dan wel zelf in de zaak te voorzien (artikel 8:72, lid 4, van de Awb). Omdat eiser de rechtbank heeft verzocht voor dit laatste te kiezen, heeft de rechtbank van terugwijzing naar verweerder afgezien.
Niet in geschil is dat eiseres de aangifte inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor 2008 niet binnen de ingevolge artikel 9, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gestelde termijn heeft gedaan. Derhalve heeft verweerder haar terecht op de voet van artikel 67a van de AWR een verzuimboete opgelegd.
Verweerder heeft het bedrag van de boete met toepassing van § 21, lid 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst van 24 december 2009, Stcrt. 20226 (BBBB 2010), bepaald op € 226. Naar het oordeel van de rechtbank is een verzuimboete van € 226, gelet op de omstandigheden van dit geval en de ernst van het beboetbare feit, onevenredig hoog. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de bij de aanslag geheven belasting € 106 bedraagt, dat de verschuldigde belasting voor verrekening van de voorlopige aanslag € 603 bedraagt, dat - naar eiseres onweersproken heeft gesteld - sprake is van een eerste verzuim en dat verweerder, hoewel eiseres hem daarom bij brief van 3 november 2010 uitdrukkelijk heeft gevraagd, geen, althans geen voor eiseres en de rechtbank kenbare, afweging van de ernst van het beboete feit en het bedrag van de boete heeft gemaakt (vergelijk § 7, lid 1, aanhef en onderdeel a, van het BBBB 2010).
In het vorenoverwogene heeft de rechtbank aanleiding gevonden de verzuimboete te verminderen tot € 106. Een verzuimboete van € 106 is naar haar oordeel in dit geval passend en geboden.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.
Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. M. Molenaar.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.