ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3460
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen onmiddellijke vertrektermijn zonder objectieve criteria voor risico op onderduiken
Verzoeker ontving op 16 mei 2011 een terugkeerbesluit waarin hem werd opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Hij maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening die het terugkeerbesluit schorst totdat op het bezwaar is beslist, met name om een termijn voor vrijwillig vertrek langer dan zeven dagen te verkrijgen.
De voorzieningenrechter overwoog dat de Terugkeerrichtlijn een vertrektermijn van minimaal zeven dagen voorschrijft, tenzij er een risico op onderduiken bestaat dat gebaseerd moet zijn op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria. De regeling in de Vreemdelingencirculaire 2000 voldoet niet aan deze eis omdat het slechts beleidsregels betreft en geen wettelijke criteria.
De rechter concludeerde dat artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 geen dergelijke objectieve criteria bevat en dat het enkele feit van onrechtmatig verblijf niet voldoende is om het risico op onderduiken aan te nemen. Daarom is het terugkeerbesluit niet in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn en moet verzoeker alsnog een termijn van zeven dagen voor vrijwillige terugkeer worden gegund.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een termijn van zeven dagen voor vrijwillige terugkeer toegekend wegens ontbreken van objectieve criteria voor risico op onderduiken.