ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3475
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening: terugkeertermijn bij onrechtmatig verblijf volgens Terugkeerrichtlijn
Verzoeker, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit waarbij onmiddellijke uitzetting werd bevolen zonder vertrektermijn. Verzoeker maakte bezwaar en stelde dat het ontbreken van een vertrektermijn niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn (Tri), die vereist dat een vertrektermijn wordt geboden tenzij op basis van objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria een risico op onderduiken bestaat.
De voorzieningenrechter overwoog dat de Nederlandse regelgeving, met name artikel 62, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, niet voldoet aan de eis van de Tri dat het risico op onderduiken moet zijn gebaseerd op objectieve wettelijke criteria. De enkele onrechtmatigheid van het verblijf is onvoldoende om een vertrektermijn te onthouden.
Verweerder kon geen gronden aanwijzen die afwijken van de hoofdregel van een vertrektermijn. Gezien de mogelijkheid dat het terugkeerbesluit niet stand zal houden en het feit dat verzoeker zich in vreemdelingenbewaring bevindt, werd de belangenafweging in het voordeel van verzoeker gemaakt. De voorlopige voorziening werd toegewezen, waarbij verzoeker alsnog een termijn van zeven dagen voor vrijwillige terugkeer werd gegund.
Uitkomst: Verzoeker wordt alsnog een vertrektermijn van zeven dagen gegund voor vrijwillige terugkeer.