ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3520

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
394900 HA RK 11-308 Wrakingnummer 2011/26
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. X, rechter in de sector bestuursrecht, vanwege vermeende onpartijdigheid en schending van procedurele termijnen. Zij stelden dat de rechter niet tijdig had beslist en niet had medegedeeld dat een onderzoek ter zitting noodzakelijk was, wat hun recht op een eerlijke en openbare behandeling zou schenden.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De aangevoerde feiten en omstandigheden boden geen zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid of de schijn daarvan. Het feit dat mr. X reeds vóór de zitting was gewraakt, maakte dat hij niet als partijdig kon worden beschouwd.

Ook werd overwogen dat de vermeende schending van termijnen en de uitnodiging van slechts één verzoeker voor de zitting geen grond voor wraking vormden. De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. X is afgewezen wegens ontbreken van gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheid.

Uitspraak

beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2011/26
rekestnummer: 394900 HA RK 11-308
zaaknr: AWB 10/3810 BESLU G CC
datum beschikking: 10 juni 2011
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:
1) [verzoeker]
2) [verzoekster]
beiden wonende te [adres]
verzoekers,
tegen
mr. [X]
rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht,
verweerder.
1. De voorgeschiedenis en het procesverloop
Verzoekers hebben bij brief, ter griffie ingekomen op 26 mei 2010, beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op een door hen ingediend bezwaarschrift bij het Kadaster. Het beroep zou op 25 mei 2011 ter zitting behandeld worden. Op 23 mei 2011 is echter het wrakingsverzoek van verzoekers ingekomen ter griffie.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
Op 30 mei 2011 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Mr. [X] heeft bij brief van 26 mei 2011 haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt en tevens medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Bij fax van 30 mei 2011 hebben verzoekers medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen en een reactie gegeven op de brief van mr. [X]. Namens de Hoofdbewaarder van het kadaster en openbare registers is verschenen de heer [A].
3. Het standpunt van verzoekers
Het verzoek komt - kort zakelijk weergegeven - op het volgende neer. De rechter behandelt de zaak niet op de wettelijk voorgeschreven wijze. Hij heeft immers gehandeld in strijd met artikel 8:55 lid 2 en Pro 3 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan verzoekers is niet medegedeeld dat de rechter een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht en er is niet binnen dertien weken een uitspraak gedaan. Dit is in strijd met het recht op een eerlijke en openbare behandeling van hun zaak en met het recht op behandeling binnen een redelijke termijn. Bovendien is voor de zitting alleen de heer [verzoeker] als verzoeker opgeroepen. Bij brief van 30 mei 2011 hebben verzoekers, naar aanleiding van de reactie van mr. [X], aan hun verzoek ook nog ten grondslag gelegd dat uit de reactie van mr. [X] een grote minachting voor de rechtzoekende, voor de wet en voor mw. [verzoekster] blijkt.
4. Het standpunt van mr. [X]
Bij brief van 26 mei 2011 heeft mr. [X] aangegeven niet in de wraking te berusten, aangezien door verzoekers geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Met het niet in acht nemen van de termijnen van art. 8:55 Awb Pro, voor zover daar al sprake van zou zijn, wordt geen schijn van partijdigheid gewekt. Ook het feit dat alleen de heer [verzoeker] in eerste instantie is uitgenodigd voor de zitting kan niet tot dat oordeel leiden. Daar komt bij dat de reden voor deze omissie door de griffier schriftelijk is uitgelegd. Vervolgens is in het systeem als eiser vermeld "[verzoeker] e.a.", hetgeen duidt op meerdere personen.
5. De beoordeling
5.1
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3
De door verzoekers aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven geen grond te vrezen dat het deze rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt. Aangezien verzoekers mr. [X] reeds gewraakt hebben voordat de zitting heeft plaats gevonden, kan op grond daarvan mr. [X] niet geacht worden partijdig te zijn, dan wel de schijn van partijdigheid te hebben gewekt. Voorafgaand aan de zitting zijn immers door mr. [X] nog geen handelingen verricht, zodat - voor zover het wrakingsverzoek zich tegen dergelijke handelingen richt - deze geen grond voor wraking kunnen opleveren. De overige omstandigheden die verzoekers in hun brief van 30 mei 2011 aanvoeren, zijn niet aan het oorspronkelijke wrakingsverzoek ten grondslag gelegd en kunnen om die reden evenmin tot toewijzing van het verzoek leiden.
5.4
Het wrakingsverzoek dient dan ook te worden afgewezen.
6. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekers;
• verweerder in de hoofdzaak;
• mr. [X];
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011 door mrs. Y.J Wijnnobel-van Erp,
G.P. van Ham en F.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.