ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3573

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
395164 HA RK 11-315 Wrakingnummer 2011/28
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens vermeende partijdigheid niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. X, rechter in de bestuursrechtsector van de rechtbank 's-Gravenhage, op grond van vermeende onpartijdigheid. Zij stelde dat mr. X lid was van een criminele organisatie en dat er corruptieonderzoeken liepen tegen de Haagse rechtbank, waardoor zij vreesde voor een eerlijk proces.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en stelde vast dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het pas na de zitting van 16 mei 2011 bij de griffie binnenkwam, terwijl de wet vereist dat een dergelijk verzoek direct na bekendwording van de feiten moet worden ingediend. Tevens werd het verzoek inhoudelijk getoetst, waarbij werd benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn.

Mr. X ontkende de beschuldigingen en gaf aan dat zijn lidmaatschap van Minerva geen invloed had op zijn functioneren. De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek niet ontvankelijk was vanwege de termijnoverschrijding en dat het proces in de hoofdzaak ongewijzigd wordt voortgezet.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en het proces wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2011/28
rekestnummer: 395164 HA RK 11-315
zaaknr: AWB 09/3141 IB/PVV G D2
datum beschikking: 10 juni 2011
BESLISSING
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres],
verzoekster,
gemachtigde: [gemachtigde];
tegen
mr. [X],
rechter in de rechtbank 's-Gravenhage, sector bestuursrecht,
hierna: mr. [X].
1. De voorgeschiedenis en het procesverloop
Op 7 april 2010 heeft ten overstaan van mr. [X] een zitting plaatsgevonden in de zaak van verzoekster tegen de inspecteur van de Belastingdienst Haaglanden / Kantoor Den Haag. Op 16 mei 2011 heeft de voortzetting van de zitting plaatsgevonden. Bij brief, ter griffie ingekomen op 26 mei 2011, heeft de gemachtigde van verzoekster mr. [X] gewraakt.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
Op 30 mei 2011 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Mr. [X] is ter zitting verschenen. Verzoekster is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet ter zitting verschenen. Namens de inspecteur is, na voorafgaande mededeling, niemand verschenen.
3. Het standpunt van verzoekster
De wrakingskamer begrijpt het wrakingsverzoek - kort zakelijk weergegeven - aldus dat verzoekster alle rechters in Nederland wraakt. Minerva, waar mr. [X] lid van is geweest, is een criminele organisatie en is hersenspoelend. Ook is mr. [X] lid van de Haagse rechtbank, waartegen onderzoeken gaande zijn wegens corruptie. Voorts had mr. [X] al eerder uitspraak kunnen doen, maar is hij de zaak aan het rekken. En hij behandelt twee zaken tegelijk en vindt alles wat verzoekster stelt niet redelijk.
4. Het standpunt van mr. [X]
Mr. [X] bestrijdt het standpunt van verzoekster. Hij heeft bevestigd dat hij lid van Minerva is geweest, maar Minerva is geen criminele organisatie en zijn lidmaatschap heeft geen invloed op zijn functioneren als rechter. De omstandigheid dat een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld naar enkele (gewezen) rechters betekent niet dat niet normaal recht zou kunnen worden gesproken door de rechters van de Haagse Rechtbank. Hij is zich er niet van bewust dat hij de zaak zou hebben gerekt. Ook is hij niet onredelijk geweest.
5. De beoordeling
5.1
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3
Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Art. 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat het verzoek dient te worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Nu de zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2011 en verzoekster eerst bij brief, ter griffie ingekomen op 26 mei 2011, het wrakingsverzoek heeft ingediend, wordt het verzoek geacht niet tijdig te zijn gedaan. Dit leidt ertoe dat het verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
6. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• verzoekster p/a haar gemachtigde [gemachtigde];
• verweerder in de hoofdzaak;
• mr. [X];
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011 door mrs. Y.J Wijnnobel-van Erp,
F.J. Verbeek en A.H. Bergman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.