ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6653
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijf als familielid van gemeenschapsonderdaan en schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring
Eiser, een burger van de Federale Republiek Joegoslavië, betwistte het besluit van de Minister voor Immigratie en Asiel dat hij nooit rechtmatig verblijf had als familielid van een gemeenschapsonderdaan. De echtgenote van eiser had in 1999 de Nederlandse nationaliteit verkregen en was daarmee Unieburger, maar had nooit gebruik gemaakt van haar recht op vrij verkeer binnen de EU. De rechtbank oordeelde dat op grond van het arrest McCarthy van het Hof van Justitie van de EU de richtlijn 2004/38 niet van toepassing is op burgers die hun recht van vrij verkeer niet hebben uitgeoefend en altijd in hun lidstaat van nationaliteit verbleven.
Eiser voerde aan dat het communautaire vertrouwensbeginsel en het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit waren geschonden, en dat hem onrechtmatig verblijf en bewaring was aangedaan. De rechtbank oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden ingeroepen tegen een duidelijke bepaling van het gemeenschapsrecht zoals artikel 3 van Pro Richtlijn 2004/38, en dat eiser geen rechtmatig verblijf had. Daarom was het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring ongegrond.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak is bindend en kan gevolgen hebben voor eventuele vervolgprocedures.
Uitkomst: De beroepen van eiser worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.