ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2334
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige op grond van erkenning door niet-Nederlandse vader
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het verzoek van de wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van erkenning door de vader. De vader had de minderjarige erkend op 22 mei 2007, maar was op dat moment nog niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelde dat de minderjarige het Nederlanderschap niet kon verkrijgen op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), maar mogelijk wel via na-naturalisatie of mee-naturalisatie met de moeder. De verzoekers leverden DNA-bewijs dat de man de biologische vader is, waarmee gerechtelijk bewijs van vaderschap werd geleverd.
Echter, sinds de wijziging van artikel 4 RWN Pro per 1 maart 2009 geldt dat erkenning door een Nederlander vereist is voor verkrijging van het Nederlanderschap op deze grondslag. Omdat de vader ten tijde van de erkenning nog geen Nederlander was, werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank verwees het subsidiaire verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap naar de sector familie en jeugd van de rechtbank voor verdere behandeling.
De beschikking werd uitgesproken op 27 juni 2011 door mr. P.A. Koppen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige wordt afgewezen omdat de erkenner ten tijde van de erkenning nog geen Nederlander was.