ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2348
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige na ongeldige naturalisatie vader
Verzoeker vroeg de rechtbank vast te stellen dat hij sinds 8 september 1998 het Nederlanderschap bezit, afgeleid van de naturalisatie van zijn vader toen hij minderjarig was. De vader van verzoeker had echter bij zijn naturalisatie gebruikgemaakt van een valse identiteit, waardoor het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft. Dit betekent dat ook geen sprake kan zijn van afgeleide verkrijging van het Nederlanderschap door verzoeker.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees het verzoek af en de officier van justitie sloot zich hierbij aan. Verzoeker stelde dat hij zelf nooit over zijn identiteit heeft gelogen en dat het besluit hem wel identificeerde, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet relevant is zolang het besluit ten aanzien van de vader geen rechtsgevolg heeft.
Daarnaast bestaat er onduidelijkheid over de afstamming van verzoeker, omdat de vader heeft verklaard geen kinderen te hebben. De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet op andere wijze Nederlander is geworden en wees het verzoek daarom af.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat het naturalisatiebesluit van de vader geen rechtsgevolg heeft.