ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2387
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wegens niet aangetoonde erkenning en afstamming
Verzoeker verzocht de rechtbank vast te stellen dat hij sinds 22 februari 1979 de Nederlandse nationaliteit bezit en dat zijn kinderen deze vanaf hun geboorte hebben. Hij stelde erkend te zijn door zijn vader, die in 1979 genaturaliseerd werd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betwistte dit, stellende dat geen wettige erkenning of familierechtelijke betrekking is aangetoond.
De rechtbank onderzocht de overgelegde geboorteakte en een akte van erkenning die inhoudelijk tegenstrijdig waren. De geboorteakte vermeldde verzoeker als wettig kind van zijn vader, terwijl de erkenningsakte een latere aangifte en erkenning beschreef. Vanwege deze tegenstrijdigheden werd verzoeker verzocht een DNA-rapport te overleggen ter bevestiging van de biologische afstamming.
Na meerdere herinneringen ontving de rechtbank geen DNA-rapport. Gezien het ontbreken van bewijs dat verzoeker tijdens zijn minderjarigheid door zijn vader is erkend, concludeerde de rechtbank dat het verzoek niet kan worden toegewezen. Dit geldt ook voor de kinderen van verzoeker, die hun nationaliteit niet aan hem kunnen ontlenen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het bezit van de Nederlandse nationaliteit door verzoeker en zijn kinderen wordt afgewezen wegens niet aangetoonde erkenning en afstamming.