ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6921

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/610033-11
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij openen autodeur

Op 28 september 2010 opende verdachte zonder voldoende te kijken het portier van zijn auto langs een fietspad in Delft, waardoor een fietsster tegen het portier botste en zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder een hersenbloeding en een gebroken vinger.

De officier van justitie vorderde een veroordeling wegens aanmerkelijk onvoorzichtig handelen in het verkeer, terwijl de verdediging stelde dat het letsel onvoldoende verband hield met het ongeval en dat verdachte niet roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig had gehandeld. Ook werd medeschuld van het slachtoffer aangevoerd.

De rechtbank oordeelde dat verdachte weliswaar een verkeersfout had gemaakt door het portier zonder voldoende om zich heen te kijken te openen, maar dat dit niet volstond voor aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij wegens onvoldoende bewijs van het ten laste gelegde.

Het vonnis benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij het openen van autodeuren en bevestigt dat niet elke verkeersfout automatisch leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid wanneer de mate van onvoorzichtigheid niet aanmerkelijk is.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij het openen van het autodeur.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/610033-11
Datum uitspraak: 6 oktober 2011
Tegenspraak
Promis
De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats],
adres: [adres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 september 2011.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. van Geloven en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.W. Stok, advocaat te Delft, en door de verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 september 2010 te Delft als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), welk motorrijtuig door hem tot stilstand was gebracht op de weg, de Ezelsveldlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, het voorportier van dat motorrijtuig te openen en/of geopend te houden, waardoor een aldaar links naast hem rijdende fietsster de vrije doorgang werd belemmerd, tengevolge waarvan die fietsster (te weten: [X]) tegen dat geopende portier is gebotst en ten val is gekomen, waardoor een ander (genaamd [X]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een fractuur van een vinger, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994
3. Het bewijs
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 september 2010 in Delft aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld in het verkeer als gevolg waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en een gebroken vinger, heeft opgelopen.
3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.
3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat uit de brief van [neurochirurg], neurochirurg bij het Medisch Centrum Haaglanden d.d. 24 januari 2011 weliswaar volgt dat bij het slachtoffer letsel is geconstateerd, doch dat hieruit onvoldoende kan worden opgemaakt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het ongeval. Het dossier biedt hiervoor overigens geen andere aanknopingspunten. Voorts heeft de raadsman betwist dat bij verdachte sprake was van roekeloos, dan wel zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat op het moment dat het slachtoffer het portier van de auto raakte, verdachte het portier niet geheel had geopend. Bovendien kwam de rand van het portier op dat moment niet over de scheidslijn tussen het fietspad en de laad- en loshaven alwaar verdachte zijn auto, uiterst rechts tegen de stoeprand, geparkeerd had. In dat kader dient overigens rekening te worden gehouden met een vorm van medeschuld bij het slachtoffer, van wie ook oplettendheid verwacht mag worden. Gelet op het voorgaande dient verdachte van het hem tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
3.3 De beoordeling van de tenlastelegging
Verdachte wordt een overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 verweten. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.
Vast staat dat verdachte zijn auto op 28 september 2010 op de Ezelsveldlaan in Delft langs het fietspad had geparkeerd op een daarvoor bestemde laad- en losplaats. Verdachte heeft vervolgens het linker voorportier van zijn auto geopend op het moment dat mevrouw [X] op haar fiets langs de linkerzijde van de auto reed. Zij is vervolgens in botsing gekomen met het portier, over de kop geslagen en ten val gekomen. Gelet op haar medische toestand is zij direct hierna naar het ziekenhuis vervoerd, alwaar zij met spoed is geopereerd wegens bloedingen in haar hoofd. Voorts is als letsel een gebroken vinger geconstateerd.
Bij de politie heeft verdachte op 28 september 2010 verklaard dat hij zonder in zijn linker buitenspiegel te kijken zijn voorportier heeft geopend. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet meer weet of hij in zijn (binnen)spiegel(s) heeft gekeken alvorens zijn portier te openen. De rechtbank houdt verdachte aan zijn verklaring zoals hij die bij de politie heeft afgelegd. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, omdat dit verhoor direct na het ongeval heeft plaatsgevonden.
Het is een feit van algemene bekendheid dat men, vanwege de in acht te nemen zorgvuldigheid in het verkeer, goed om zich heen dient te kijken om te controleren of er achterop- of tegemoetkomend verkeer is, alvorens het portier van een auto te openen. Dit heeft verdachte niet gedaan.
Gelet op het voorgaande kan verdachte aldus worden verweten dat hij zonder (voldoende) te kijken het portier van zijn auto heeft geopend. Verdachte heeft zich hiermee weliswaar gedragen in strijd met voornoemde gedragsnorm en aldus een verkeersfout begaan, maar gelet op de aard van de verkeersovertreding en de gegeven omstandigheden, acht de rechtbank, mede gelet op jurisprudentie dienaangaande (zie o.a. HR 1 juni 2004, LJN-nummer AO5822), het handelen van verdachte niet dusdanig, dat kan worden gesproken van aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.
4. De beslissing
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Bruining, voorzitter,
mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. J.J. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.M. van Heemst, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2011.