ECLI:NL:RBSGR:2011:BU1600

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/47511, 09/47512
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.J. Medze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.73 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4:84 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning onbezoldigd wetenschappelijk onderzoeker wegens onvoldoende zelfstandig inkomen

Eiseres heeft verzocht om wijziging van haar verblijfsvergunning van studie naar verblijf als onbezoldigd wetenschappelijk onderzoeker. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat eiseres niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, zoals vereist volgens artikel 16 Vreemdelingenwet Pro 2000 en artikel 3.73 Vreemdelingenbesluit 2000.

Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering en heeft geen andere inkomsten, wat volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 niet wordt beschouwd als zelfstandig inkomen voor onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers. Eiseres voerde aan dat verweerder ten onrechte het inkomensvereiste toepaste en dat de bijzondere omstandigheden een afwijking van het beleid rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat een bijstandsuitkering niet voldoet aan het zelfstandig inkomen omdat er geen premies worden afgedragen. Er is geen beleidsregel die afwijking op grond van artikel 4:84 Awb Pro toestaat. Daarom is de afwijzing van de verblijfsvergunning terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat het belang is komen te vervallen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummers: AWB 09 / 47511 (beroep)
AWB 09 / 47512 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 oktober 2011
in de zaak van:
[eiseres],
geboren op [geboortedatum], van Armeense nationaliteit,
eiseres,
tegen:
de minister voor Immigratie en Asiel,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.V. van Vegten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Eiseres heeft op 2 april 2008 een aanvraag ingediend tot het wijziging de beperking van haar verblijfsvergunning regulier van het doel “studie Doctoral Study aan Maastricht School of Management te Maastricht” in het doel “verblijf als onbezoldigde wetenschappelijk onderzoeker”. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 december 2008 afgewezen. Bij besluit van 2 december 2009 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 september 2011 Eiseres is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op de volgende gronden. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daarmee voldoet zij niet aan de voorwaarden die zijn gesteld voor het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning.
2.2 Hiertegen heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan haar tegenwerpt dat zij niet voldoet aan het inkomensvereiste. Het is niet aan eiseres te wijten dat zij op het moment geen werk heeft.
2.3 Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw Pro, worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.4 Ingevolge artikel 3.73 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, Vw bedoelde middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig, indien deze zijn verworven uit:
a. wettelijke toegestane arbeid in loondienst, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;
b. wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;
c. inkomensvervangende uitkeringen krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, of
d. eigen vermogen, voor zover de bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.
2.5 Niet in geschil is dat eiseres geen inkomen ontvangt zoals volgens het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf B5/4.6.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), wordt verstaan onder het zelfstandig inkomen van een onbezoldigd wetenschapper. Eiseres heeft aangegeven dat zij een bijstandsuitkering ontvangt en op geen andere wijze inkomen verkrijgt. Derhalve voldoet eiseres reeds om deze reden niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de gevraagde verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres dan ook op goede gronden niet in het bezit gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning.
2.6 Eiseres meent dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) aangezien de situatie van eiseres een bijzondere is.
2.7 De rechtbank volgt eiseres hier niet in. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde als gesteld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, het middelenvereiste. Deze voorwaarde is verder uitgewerkt in artikel 3.73 Vb. Uit deze artikelen blijkt dat een bijstandsuitkering niet gerekend kan worden onder “zelfstandig verkregen middelen van bestaan”. Voor een bijstandsuitkering worden immers geen premies afgedragen. In paragraaf B5/4.6.4 Vc is opgenomen dat onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers dienen te beschikken over een beurs of stipendia. Daarover beschikt eiseres niet. Eiseres kan niet gelijk worden gesteld met de onbezoldigd wetenschappelijk onderzoeker die over een beurs of stipendia beschikt, zonder af te wijken van de wettelijke vereisten, zoals neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw en artikel 3.73 Vb. Derhalve is er geen beleidsregel waar verweerder met toepassing van artikel 4:84 Awb Pro van af kan wijken. De beroepsgrond van eiseres kan derhalve niet slagen.
2.8 Gezien het voorgaande heeft verweerder kunnen afzien van het horen van eiseres.
2.9 Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.
2.10 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
Verzoek om een voorlopige voorziening
2.11 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.12 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
2.13 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.
Afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.