ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3879
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding termijn bezwaar en beroep vreemdelingenrecht
Eiseres, een Poolse EU-burger, kreeg haar verblijfsrecht beëindigd door verweerder op grond van een onredelijke last voor publieke middelen. Zij maakte bezwaar en beroep, maar deed dit niet binnen de vierwekentermijn die de Vreemdelingenwet voorschrijft. Eiseres voerde aan dat op grond van Unierecht, waaronder richtlijn 2004/38/EG en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de zeswekentermijn van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing moest zijn.
De rechtbank oordeelde dat de kortere termijn van vier weken uit de Vreemdelingenwet niet discrimineert op nationaliteitsgrond en gerechtvaardigd is vanwege de aard van vreemdelingenzaken. Het beroep op oudere richtlijnen en arresten, zoals richtlijn 64/221/EEG en arrest Shingara, werd verworpen omdat deze richtlijn is vervallen en arrest Shingara niet ziet op termijnen maar op beroepsmogelijkheden.
Verder stelde de rechtbank dat de termijn van een maand uit artikel 30, derde lid, van richtlijn 2004/38/EG betrekking heeft op de termijn om het grondgebied te verlaten en niet op bezwaar- en beroepstermijnen. Het beroep van eiseres werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig instellen van bezwaar en beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de vierwekentermijn voor bezwaar en beroep volgens de Vreemdelingenwet.