ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3926
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ondanks gezinsbanden en EVRM artikel 8
Verzoeker, een Somalische asielzoeker, diende meerdere asielaanvragen in Nederland in, welke telkens werden afgewezen op grond van de Dublinverordening (Vo 343/2003), waarbij Italië als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. Na overdracht aan Italië keerde verzoeker terug naar Nederland en diende een herhaalde aanvraag in. Hij stelde dat Nederland de behandeling van zijn aanvraag ambtshalve had moeten overnemen vanwege het niet naleven van internationale verplichtingen door Italië en zijn gezinsbanden in Nederland, met verwijzing naar artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die afdoen aan eerdere besluiten en dat de aangevoerde rapporten en uitspraken geen concrete aanwijzingen bevatten dat Italië zijn verplichtingen niet nakomt. De gezinsbanden en zwangerschap van verzoekers vrouw werden als onvoldoende nieuw beschouwd om de eerdere besluiten te wijzigen.
Verder volgde de rechtbank niet de uitspraak van de voorzieningenrechter Groningen die stelde dat ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro verplicht is in asielzaken met gezinsbanden. De rechtbank wees erop dat artikel 3.17a VV 2000 alleen ziet op verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd onder andere beperkingen dan gezinshereniging, wat niet op verzoeker van toepassing is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.