1 Feiten in conventie en in reconventie
De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.
1.1 [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] wordt gevormd door haar twee maten, de heer [A] en diens echtgenote mevrouw [B]. Sedert een ruim aantal jaren exploiteert [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] een tuinbouwbedrijf waarin naast haar maten enkele werknemers in loondienst zijn.
1.2 Bpf is een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, hierna Wet Bpf 2000. De deelneming aan de regeling van Bpf is verplicht gesteld voor werknemers, werkzaam bij een agrarische onderneming vanaf de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 21 jaar worden bereikt tot de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt.
1.3 Als pensioengrondslag geldt voor enig jaar het loon van de deelnemer in dat jaar, verminderd voor elke dag, waarover hij loon genoot, met een naar beneden op hele euro's afgerond bedrag, dat wordt gevonden door het bedrag dat jaarlijks door het bestuur van Bpf wordt vastgesteld te delen door het aantal werkdagen in een kalenderjaar. Ter vaststelling van de verschuldigde pensioenpremie is het noodzakelijk dat Bpf onder meer beschikt over het aantal door de deelnemer gewerkte uren.
Het Uitvoeringsreglement van Bpf behelst terzake een aantal bepalingen, waaronder dat de werkgever periodiek per vier weken dan wel per maand en uiterlijk twee weken na de verloonde periode, de voor de premievaststelling benodigde gegevens aan Bpf dient aan te leveren. Deze gegevensaanlevering kan digitaal geschieden middels een zogenaamde periodieke loon opgave (PLO). De werkgever dient ervoor te zorgen dat alle vereiste gegevens volledig, juist en tijdig worden verstrekt.
Bpf stelt na afloop van elke loonperiode voor de werkgever de verschuldigde premie vast aan de hand van de door de werkgever verstrekte loonopgaven.
Het bedrag van de verschuldigde premie dient binnen één maand na afloop van iedere loonperiode in het bezit van de administrateur (van Bpf) te zijn.
Indien ten onrechte geen bedrag aan premie is vastgesteld dan wel na de vaststelling van het te betalen bedrag van de premie blijkt, dat een lager bedrag is vastgesteld dan verschuldigd is, dan stelt Bpf het alsnog door de werkgever verschuldigde bedrag over de verstreken betalingstermijn vast.
1.4 In ieder geval over de jaren 2000 tot en met 2003 heeft [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] opgave gedaan van door haar werknemers in die perioden gewerkte uren en heeft Bpf op basis daarvan premies vastgesteld, welke premies door [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] zijn voldaan. De aangifte van [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] over 2001 heeft geresulteerd in een nota/eindafrekening van Bpf, die in 2002 aan [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] is toegestuurd en de aangifte over 2002 heeft geresulteerd in een nota/eindafrekening van Bpf, die in 2003 aan [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] is toegezonden. De uit die eindafrekeningen voortvloeiende betalingsverplichtingen is [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] nagekomen.
1.5 Op 25 februari 2010 zond Bpf [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] een factuur ter hoogte van € 1.111,98 betreffende premies over 2001 en 2002 en op 8 april 2010 zond Bpf [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] in factuur ter hoogte van € 1.870,93 eveneens betreffende premies over 2001 en 2002.
1.6 [eiseres i/c, tevens verweerster i/r] heeft tegen die facturen bezwaar gemaakt, waarna partijen nader met elkaar hebben gecorrespondeerd.