ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6742
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring van pensioenpremievordering over 2001 en 2002 door bedrijfstakpensioenfonds
In deze zaak vordert een bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) betaling van aanvullende pensioenpremies over de jaren 2001 en 2002 van een tuinbouwbedrijf, vertegenwoordigd door haar maten. Bpf baseert haar vordering op correcties van eerder aangeleverde urenregistraties die volgens haar onjuist waren door invoerfouten. De werkgever betwist de vordering en voert verjaring aan.
De rechtbank stelt vast dat de werkgever tijdig de loongegevens heeft aangeleverd en de premies over genoemde jaren heeft voldaan. Bpf heeft echter pas in 2010 aanvullende facturen gestuurd, waarna de werkgever bezwaar maakte. De rechtbank overweegt dat de periodieke pensioenpremies onder de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:308 BW Pro vallen, die begint te lopen vanaf het moment dat de premie opeisbaar is.
Bpf heeft niet binnen deze termijn de correcties uitgevoerd of de vordering gestuit, waardoor de vordering is verjaard. Ook het beroep op onrechtmatige daad slaagt niet, omdat Bpf geen feiten heeft gesteld die schuld of opzet van de werkgever aantonen. De rechtbank verklaart voor recht dat Bpf geen vordering heeft en wijst de reconventionele vordering af, waarbij Bpf wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De pensioenpremievordering van het bedrijfstakpensioenfonds over 2001 en 2002 is verjaard en wordt afgewezen.