ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7246
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- S.J. Hoekstra-van Vliet
- M.C. Ritsema van Eck- van Drempt
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Weigering teruggeleiding minderjarige kinderen naar Nigeria wegens verzet en gezinsbelang
De zaak betreft een verzoek van de vader tot teruggeleiding van twee minderjarige kinderen van Nederland naar Nigeria, waar zij voorheen woonden. De moeder vertrok in mei 2011 met de kinderen naar Nederland, waarna de vader via de Centrale Autoriteit een verzoek indiende tot terugkeer onder toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
De moeder betwistte de toepasselijkheid van het Verdrag omdat Nigeria geen verdragspartij is, maar de rechtbank oordeelde dat de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering ook analoog van toepassing is op niet-verdragszaken. De rechtbank beoordeelde het verzoek dan ook met inachtneming van het Verdrag en de weigeringsgronden.
De oudste minderjarige, ruim 11 jaar oud, verzet zich tegen terugkeer vanwege reële angst voor geweld en ontvoeringen in Nigeria. De rechtbank acht zijn angst en rijpheid voldoende om zijn mening mee te wegen en weigert zijn terugkeer. De jongste, bijna 10 jaar, toont ook verzet en angst, hoewel haar rijpheid twijfelachtig is. Gezien de nauwe band tussen de kinderen, hun gezamenlijke ervaringen en het belang van het gezinsleven, wordt ook haar terugkeer geweigerd.
De rechtbank concludeert dat teruggeleiding van beide kinderen naar Nigeria op grond van artikel 13, eerste lid sub b van het Verdrag moet worden geweigerd, omdat terugkeer hen in een ondraaglijke toestand zou brengen. Het verzoek van de Centrale Autoriteit wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige kinderen naar Nigeria af vanwege hun gegrond verzet en het belang van het gezinsleven.