ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7283
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- E.B. de Vries-van den Heuvel
- G.W.S. de Groot
- S. Kleij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid zelfstandige arbeid en twijfel over tijdige terugkeer
Eiser, van Turkse nationaliteit, vroeg een visum kort verblijf aan om familie te bezoeken en te onderzoeken of hij in Nederland arbeid als zelfstandige of in loondienst kan verrichten. Verweerder weigerde het visum omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aannemelijk maakte en er twijfel bestond over zijn terugkeer vóór het verstrijken van het visum.
De rechtbank stelde vast dat anders dan in een eerdere vergelijkbare zaak, eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd dat hij daadwerkelijk arbeid als zelfstandige zou verrichten. Hierdoor was het aanvullend protocol dat in die zaak leidde tot het vervallen van de visumplicht niet van toepassing. Tevens oordeelde de rechtbank dat de Visumcode vereist dat een visum geweigerd wordt indien de tijdige terugkeer niet gewaarborgd is.
Eiser stelde dat hij bij het vinden van werk een verblijfsvergunning zou aanvragen en daarom geen geldige machtiging tot voorlopige verblijf nodig had, maar dit werd niet gevolgd. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het visum heeft geweigerd en dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, waardoor geen hoorplicht bestond.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de hoofdzaak nog moest worden beslist en het belang van eiser was komen te vervallen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.