ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9596
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenrechtelijke bewaring na voorafgaande detentieperiode
Eiser, een Palestijnse vreemdeling, werd op 30 december 2010 in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld na een periode van strafrechtelijke detentie. Eerder was hij van 3 december 2009 tot 6 januari 2010 ook in vreemdelingenbewaring en daarna strafrechtelijk gedetineerd tot 30 december 2010. Eiser betoogde dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Tunesië bestond en dat de belangenafweging in zijn voordeel moest uitvallen.
De rechtbank stelde vast dat de minister regelmatig contact heeft met de Tunesische autoriteiten en dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. De rechtbank verwierp het standpunt van verweerder dat de voorafgaande detentieperiodes buiten beschouwing moesten blijven bij de belangenafweging, verwijzend naar vaste jurisprudentie die vereist dat deze perioden wel worden betrokken.
Gezien de ruim twee jaar durende detentie, de frustratie door eiser van het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, zijn weigering tot medewerking aan verwijdering, zijn ongewenstverklaring en zware criminele antecedenten, oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging terecht in het nadeel van eiser uitviel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenrechtelijke bewaring wordt ongegrond verklaard.