ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0272

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
402986 HA RK 11-541 Wrakingsnummer 2011/41
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker heeft een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend tegen de bestuursrechter die zijn bestuursrechtelijke zaak behandelde. Hij stelde dat de bestuursrechter niet bekwaam was en onvoldoende voorbereid, omdat deze tijdens de zitting regelmatig wetsartikelen moest opzoeken. Tevens werd betoogd dat de bestuursrechter partijdig handelde door standpunten in te nemen zonder wettelijke grondslag en niet in te gaan op verzoeken van verzoeker.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld tijdens een openbare zitting waarbij verzoeker zijn standpunten toelichtte. De bestuursrechter was niet aanwezig, maar had schriftelijk zijn verweer ingediend. De wrakingskamer heeft overwogen dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden tot wraking kunnen leiden.

De kamer oordeelt dat het feit dat de bestuursrechter het wetboek raadpleegde juist getuigt van zorgvuldigheid en voorbereiding. Er is geen aanwijzing dat de bestuursrechter vooringenomen was of de schijn daarvan heeft gewekt. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen en de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Meervoudige wrakingskamer
wrakingnummer 2011/41
rekestnummer: 402986 HA RK 11-541
zaaknummer: AWB 10/9061
datum beschikking: 10 oktober 2011
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats],
te [woonplaats],
strekkende tot wraking van:
mr. [X],
rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht,
hierna te noemen: de bestuursrechter.
1. De voorgeschiedenis en het procesverloop
Op 13 september 2011 heeft ten overstaan van mr. [X] de mondelinge behandeling plaats gevonden in de zaak tussen verzoeker en het College van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats] met betrekking tot het door verzoeker ingestelde beroep. Na afloop van de zitting is bepaald dat in deze zaak op 26 oktober 2011 uitspraak zal worden gedaan. Bij fax, ter griffie ingekomen op 15 september 2011, heeft verzoeker de bestuursrechter gewraakt. Het wrakingsverzoek is voorgelegd aan de wrakingskamer.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
Op 26 september 2011 is ter openbare terechtzitting het wrakingsverzoek behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen en heeft zijn wrakinsgverzoek toegelicht. De bestuursrechter is niet ter zitting verschenen. Bij brief van 20 september 2011 heeft hij aangegeven dat hij niet in de wraking berust en heeft hij zijn standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt. Van het College van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats] is geen reactie ontvangen.
3. Het standpunt van verzoeker
Het wrakingsverzoek komt, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. Ten eerste voert verzoeker aan dat tijdens de zitting is gebleken dat de bestuursrechter niet bekwaam was en niet voldoende voorbereid was. Hij moest immers telkens weer opnieuw wetsartikelen, feiten en aktes waar verzoeker naar verwees opzoeken. Voorts heeft de bestuursrechter verzoeker medegedeeld dat verzoeker, ondanks dat het College hem had beledigd, zich niet aan belediging van het College schuldig had moeten maken. Volgens verzoeker was dat hem echter wel toegestaan. Bovendien kon de bestuursrechter hem niet vertellen waar in de wet staat dat dat hem niet was toegestaan, zodat de bestuursrechter zomaar wat stelt en partijdig handelt. Tenslotte heeft de bestuursrechter geen gehoor gegeven aan de oproep van verzoeker om het woord "Koningin" eerbaar en met gepaste woorden uit te spreken.
4. Het standpunt van de bestuursrechter
Het standpunt van de bestuursrechter komt, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. Hij berust niet in de wraking. Het was zijn inzet om tijdens de behandeling van het beroep van verzoeker een open gesprek te voeren over de feiten en de juridische ins en outs. Hij betwist dat hij niet bekwaam is of niet voorbereid was. Hij heeft op verzoek van verzoeker het wetboek erbij gepakt. Hij dacht dat dit van nut was voor de behandeling om samen met verzoeker de precieze wetteksten door te nemen. Zijn inzet was om samen de casus te bespreken.
5. De beoordeling
5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijke apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3. Ter beoordeling van de wrakingskamer ligt de vraag voor of voornoemde rechter door zijn optreden ter zitting blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan geen sprake. Het gegeven dat de bestuursrechter ter zitting het wetboek erbij heeft gepakt en in het dossier heeft gekeken, betekent, zeker gezien de uitleg van de bestuursrechter, niet dat hij onbekwaam was dan wel onvoldoende voorbereid. Ook de overige door verzoeker aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot het oordeel dat de bestuursrechter vooringenomen was dan wel de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.
5.4. Derhalve zal als volgt worden beslist.
6. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• verzoeker;
• het College van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats];
• de bestuursrechter mr. [X];
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2011 door mrs. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, S.J. Hoekstra-Van Vliet en H.M.D. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.