ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1108
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige Turkse onderdaan wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang
Verzoeker, een Turkse onderdaan, heeft een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat de levensvatbaarheid van de onderneming niet was aangetoond en niet werd voldaan aan het criterium van het wezenlijk Nederlands economisch belang. Dit criterium vereist dat de zelfstandige activiteit een positieve bijdrage levert aan de Nederlandse economie zonder negatieve effecten op de markt of werkgelegenheid.
Verzoeker stelde dat het beleid onduidelijk en strijdig was met de standstill-bepaling van artikel 41 van Pro het Aanvullend Protocol, mede vanwege het gebruik van een puntensysteem dat niet van toepassing zou mogen zijn op Turkse zelfstandigen. De rechtbank oordeelde echter dat het beleid na de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 september 2010 was aangepast en dat het criterium van wezenlijk Nederlands belang wordt toegepast conform de feitelijke economische situatie.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het advies van de Minister van Economische Zaken en Innovatie volgde, waarin werd geconcludeerd dat de onderneming niet levensvatbaar was en geen wezenlijk Nederlands belang diende. Verzoeker had onvoldoende onderbouwd dat het advies onjuist was of dat het beleid in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat met de onderneming een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend.