ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1713
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende aannemelijkheid gegronde vrees binnen UNRWA-gebied
Eiser, een staatloze Palestijn, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat hij niet langer bescherming geniet van de UNRWA en gegronde vrees zou hebben voor vervolging binnen het UNRWA-mandaatgebied. Verweerder wees het verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat het beleid van verweerder in overeenstemming is met de uitleg van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en dat het feit dat eiser het UNRWA-gebied heeft verlaten niet automatisch recht geeft op een verblijfsvergunning. Eiser moet aannemelijk maken dat terugkeer naar het mandaatgebied niet mogelijk is vanwege gegronde vrees voor vervolging zonder bescherming van de UNRWA.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen reis- of identiteitspapieren kon overleggen en zijn relaas tegenstrijdigheden bevatte, waardoor verweerder het relaas terecht ongeloofwaardig achtte. Tevens kon eiser onvoldoende onderbouwen dat er sprake is van wijdverspreide en systematische discriminatie van Palestijnen in Libanon die hem als vluchteling zou aanmerken.
Daarom concludeerde de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen het UNRWA-gebied gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw Pro 2000 toekomt. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen het UNRWA-gebied gegronde vrees voor vervolging heeft.