ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2249
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-opheffing ongewenstverklaring ondanks schending artikel 3 EVRM door uitzetting naar Libië
Eiser, een Libische nationaliteit dragende vreemdeling, werd in 2005 ongewenst verklaard vanwege een individueel AIVD-ambtsbericht dat hem als gevaar voor de nationale veiligheid bestempelde. Het EHRM oordeelde in 2010 dat uitzetting naar Libië een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. Eiser vroeg daarop om opheffing van de ongewenstverklaring en rechtsherstel.
Verweerder onderzocht alleen de mogelijkheid tot opheffing van de ongewenstverklaring, zonder eerst te beoordelen of hij, rekening houdend met het EHRM-oordeel, überhaupt tot ongewenstverklaring zou zijn overgegaan. De rechtbank oordeelde dat dit een schending van artikel 3:2 Awb Pro is en vernietigde het bestreden besluit.
De rechtbank stelde dat een volledige heroverweging niet nodig is, maar wel een beperkte heroverweging gericht op het onjuiste uitgangspunt van terugkeer naar Libië. Verweerder mocht de ongewenstverklaring handhaven omdat eiser niet voldeed aan de criteria voor opheffing, zoals tien jaar onafgebroken verblijf buiten Nederland, en geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt.
Ook de belangenafweging tussen nationale veiligheid en het gezinsleven van eiser bleef ongewijzigd. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, terwijl de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring in stand bleven.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering opheffing ongewenstverklaring wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring blijven in stand.