ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2521
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.G. Kok
- J. Ghrib
- M.C. Wesselman
- Rechtspraak.nl
Machtiging voortgezet verblijf en dwangbehandeling bij ziekte van Huntington
De officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf voor een betrokkene met de ziekte van Huntington, die verblijft in het verpleeg-, behandel- en Huntingtoncentrum Topaz Overduin. De voorlopige machtiging liep af op 11 december 2010. De rechtbank overwoog dat de geestvermogensstoornis en het gevaar voor betrokkene en anderen ook na afloop van de voorlopige machtiging blijven bestaan.
Hoewel de betrokkene vrijwillig wil verblijven, weigert hij medicatie in te nemen die noodzakelijk is om gevaar voor zelfverwaarlozing en agressie te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat de situatie niet binnen het toepassingsgebied van de WGBO valt, maar een machtiging op grond van de Wet Bopz rechtvaardigt. De geneeskundige verklaring, hoewel niet ondertekend door een geneesheer-directeur maar door een Bopz-arts, werd geaccepteerd omdat deze arts als medisch expert fungeert.
De rechtbank besloot de machtiging toe te wijzen met ingang van de dag na afloop van de voorlopige machtiging, tot uiterlijk 11 december 2011. De machtiging maakt dwangbehandeling mogelijk om het gevaar af te wenden. De rechtbank verwierp de bezwaren van de advocaat tegen de procedure en de verklaring en stelde vast dat het gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortgezet verblijf en dwangbehandeling tot uiterlijk 11 december 2011.