ECLI:NL:RBSGR:2011:BW2381
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling wegens ontbreken geldige machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoeker, een Nigerese vreemdeling die sinds 2002 in Nederland verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstellingsgronden van artikel 17 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 of artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van toepassing waren.
Verzoeker voerde onder meer aan dat zijn medische situatie was verslechterd en dat hij niet veilig in Niger behandeld kon worden. Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht echter een advies uit waarin werd geconcludeerd dat er geen medische noodsituatie bestond die reis onmogelijk maakte. De rechtbank oordeelde dat verweerder zich terecht op dit advies kon baseren.
Daarnaast was in geschil of verzoeker vrijstelling van het mvv-vereiste kon krijgen op grond van een familieband met een kind. Verweerder stelde dat deze band niet voldoende was aangetoond. De rechtbank vond dat verweerder terecht de verklaring van verzoeker en zijn partner niet als voldoende bewijs kon beschouwen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit op goede gronden was genomen en dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.