Aangezien de partijdeskundigen elkaar tegenspreken en de rechtbank behoefte heeft aan een nadere deskundige voorlichting, zal de rechtbank ambtshalve een deskundigenbericht bevelen. De rechtbank is voornemens aan de te benoemen deskundige de navolgende vragen voor te leggen.
De deskundige wordt verzocht uit te gaan van de toepassing van de NEN 1998 en bij de beantwoording van de vragen te verwijzen naar de relevante bepalingen, deze over te leggen en aan te duiden waar in de systematiek van de NEN normen deze bepaling is opgenomen en waarom daar:
Vraag 1
Vallen aangesloten kabelhaspels in een pand onder het begrip elektrische installatie in de zin van NEN 1010?
Vraag 2
a. Is het permanent of langdurig gebruik van kabelhaspels in een pand in strijd met NEN 1010?
b. Indien u de voorgaande vraag bevestigend beantwoordt, wat wordt verstaan onder langdurig gebruik?
Vraag 3
a. Is het onbeschermd op de vloer laten liggen van elektriciteitssnoeren en kabelhaspels in een pand in strijd met NEN 1010?
b. Is de wijze waarop in het onderhavige geval de elektriciteitssnoeren en kabelhaspels lagen in strijd met NEN 1010?
c. Is er een bepaling in de NEN 1010 die het gebruik van verlengsnoeren langer dan 5 meter verbiedt?
Vraag 4
Moeten volgens NEN 1010 het aansluitpunt en de daarop aangesloten elektrische apparaten zich in dezelfde ruimte bevinden als het verlengsnoer?
Vraag 5
a. Moeten er volgens NEN 1010 voldoende wandcontactdozen zijn geplaatst in verband met het aansluiten van verplaatsbaar elektrisch materiaal?
b. Is er in de onderhavige situatie sprake van voldoende wandcontactdozen, met name in de spuitcabine van het pand?
Vraag 6
a. Is het gebruik van Stotz-apparaten S111 op grond van NEN 1010 verboden?
b. Is het gebruik van Stotz-apparaten in deze omstandigheden in strijd met NEN 1010? En zo ja, op welke gronden?
c. Maakt het voor de beantwoording van vraag 6b nog verschil of de kabelhaspel van het apparaat was aangesloten op (i) de verdeelkast waarin de Stotz-apparaten S111 zaten of (ii) op de meterkast?
Vraag 7
a. Zou de controlerend elektrotechnisch installateur een schriftelijke verklaring zoals bedoeld in artikel 1.3 van Clausule 2388 hebben afgegeven in een geval als het onderhavige?
b. Indien u de vorige vraag ontkennend beantwoord, op welke onderdelen zou er volgens u herstel van gebreken zijn opgedragen? U kunt bij beantwoording van deze vraag eventueel verwijzen naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Vraag 8
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?