Eiser, eigenaar van een herenkledingwinkel, kreeg navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd wegens ondeugdelijke administratie en vermoedens van opzettelijk te lage aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting over 2003-2005.
De rechtbank constateerde ernstige gebreken in de kasadministratie, waaronder negatieve kassaldi, ontbrekende verkoopbonnen en onjuiste verwerking van privébetalingen. De administratie werd verworpen als betrouwbare basis voor winstbepaling. Verweerder stelde op basis hiervan correcties vast en legde vergrijpboetes op.
Eiser voerde aan dat correcties onterecht waren en dat de lage brutowinstpercentages verklaard konden worden door kortingen vanwege een ongunstige winkelpositie. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde ter ontkrachting van de vastgestelde gebreken en dat verweerder terecht de bewijslast omkeerde en verzwaarde.
De rechtbank stelde vast dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat eiser opzettelijk te lage aangiften had gedaan. De opgelegde boetes waren niet disproportioneel, maar werden wel verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De navorderingsaanslag 2005 en naheffingsaanslag werden verminderd, evenals de boetes. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.