ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8738
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 6 lid 4 TOS
Verzoekster, geboren in Suriname in 1974 als natuurlijk kind van een Nederlandse moeder, verzoekt de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst (TOS) tussen Suriname en Nederland. Zij stelt dat haar wettelijk vertegenwoordiger in 1988 en 1990 namens haar heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de officier van justitie concluderen echter dat verzoekster niet met rechtsgevolg kon opteren op grond van dit artikel.
De rechtbank overweegt dat verzoekster bij haar geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg via haar moeder volgens de Wet op het Nederlanderschap van 1892. Bij inwerkingtreding van de TOS in 1975 was zij minderjarig en volgde zij haar moeder in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit. De erkenning door haar vader in 1978 heeft geen gevolgen gehad voor haar nationaliteit. Volgens de rechtbank heeft verzoekster niet binnen vijf jaar na haar meerderjarigheid kunnen opteren zoals bedoeld in artikel 6 lid 4 TOS Pro, omdat zij ook als meerderjarige de Surinaamse nationaliteit zou hebben verkregen en de Nederlandse verloren.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie dat artikel 6 lid 4 TOS Pro slechts een correctiemogelijkheid biedt voor gevallen waarin minderjarigen een andere nationaliteit krijgen dan zij zouden hebben verkregen als zij meerderjarig waren geweest bij inwerkingtreding van de TOS. Verzoekster valt hier niet onder. Daarom wordt het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit en veroordeling van de minister in proceskosten afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen omdat verzoekster niet met rechtsgevolg kon opteren op grond van artikel 6 lid 4 TOS.