ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0969
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.M. Braam
- I.A.M. Kroft
- G.F. van der Linden-Burgers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens toepasselijkheid Zweedse wetgeving op werknemer met Zweeds ziekengeld
Eiser, een Nederlandse werknemer die sinds 1996 in dienst was bij een Zweedse werkgever, werd in 2011 definitief ontslagen door de Zweedse arbeidsrechtbank. Na zijn ontslag vroeg hij in Nederland een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij in Zweden woonde en onder Zweedse wetgeving viel. Eiser voerde aan dat hij sinds november 2010 weer in Nederland woonde en zich beschikbaar stelde voor de Nederlandse arbeidsmarkt.
De rechtbank stelde vast dat eiser sinds maart 2010 ziekengeld ontving van de Zweedse uitvoeringsorganisatie Forsakringskassan, waardoor hij volgens Verordening (EG) nr. 883/2004 als werknemer in Zweedse loondienst wordt beschouwd. Dit sluit toepassing van de Nederlandse WW uit. Het beroep op artikel 65 van Pro de Verordening en het arrest Bergemann faalde omdat eiser niet als werkloze kon worden beschouwd en de casus niet vergelijkbaar was.
De rechtbank oordeelde dat het centrum van eisers belangen op de datum van 3 februari 2011 in Zweden lag, mede vanwege zijn vaste woonplaats aldaar en het feit dat zijn echtgenote in Zweden verbleef. De intentie om terug te keren naar Nederland was onvoldoende om Nederland als woonland aan te merken. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser op een WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat hij onder Zweedse wetgeving valt en geen recht heeft op Nederlandse WW.