ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1027
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsmoment en waardering aandelenopties bij uitoefening
Eiser was in 2007 managing director bij een Nederlandse dochter van een Zweedse moedermaatschappij en had aandelenopties (warrants) ontvangen. Het geschil betrof het juiste moment en de wijze van waardering van het voordeel dat eiser behaalde bij de uitoefening van deze opties.
Eiser stelde dat het voordeel moest worden berekend op het moment van feitelijke levering van de aandelen (20 december 2007), terwijl verweerder betoogde dat het moment van uitoefening (30 oktober 2007) bepalend is. Daarnaast was in geschil of en hoe een waardedrukkende correctie voor de lock-up periode moest worden toegepast.
De rechtbank stelde vast dat volgens artikel 10a, eerste lid, Wet LB 1964 het voordeel moet worden bepaald op het moment van uitoefening van de opties. De rechtbank verwierp het standpunt van eiser dat het voordeel pas later kon worden vastgesteld, omdat dit gebaseerd was op een wetsvoorstel dat in 2007 nog niet van kracht was.
Verder erkende de rechtbank dat een lock-up periode een waardedrukkend effect heeft en vond dat verweerder met een afwaardering van € 1.201 op de koers van de aandelen op 30 oktober 2007 hier voldoende rekening had gehouden. De aanslag werd dienovereenkomstig verminderd en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 423.160.