ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3629
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting naar Irak binnen redelijke termijn
Eiser, een Iraakse vreemdeling, werd op 29 februari 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 14 maart 2012 en oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank nam in haar overwegingen mee dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat er zicht is op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn, ondanks het feit dat sinds november 2011 geen gedwongen uitzettingen naar Irak via een EU-staat plaatsvinden. Dit zicht werd onderbouwd met concrete diplomatieke contacten en overleg met Iraakse autoriteiten tot en met maart 2012.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser niet voldeed aan zijn vertrekplicht en dat er aanwijzingen waren dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Ook was geen sprake van bijzondere persoonlijke omstandigheden die de inbewaringstelling onevenredig zouden maken. De rechtbank concludeerde dat geen minder ingrijpende maatregel dan bewaring passend was.
De procedure en tenuitvoerlegging voldeden aan de wettelijke eisen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.