ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5500
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit na verlies door TOS
Verzoekster, geboren in 1975 als natuurlijk kind van een Nederlandse moeder, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit op grond van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892 (WNI). Door de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) op 25 november 1975 verloor zij het Nederlanderschap omdat zij haar moeder volgde in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.
Verzoekster stelde dat zij binnen vijf jaar na het meerderjarig worden een optieverklaring had afgelegd om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de officier van justitie waren het eens met afwijzing van het verzoek, stellende dat verzoekster niet tot de categorie behoorde die op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de TOS kon opteren.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster vanaf 25 november 1975 niet meer de Nederlandse nationaliteit bezat en dat artikel 6 lid 4 van Pro de TOS niet van toepassing was omdat zij niet in de situatie verkeerde waarvoor dat artikel een correctiemogelijkheid biedt. Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoekster het Nederlanderschap door de TOS heeft verloren en niet kon opteren.