ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5587
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid civiele rechter bij vordering toelating onderwijs na negatief bindend studieadvies
De zaak betreft een student die na het niet behalen van het propedeutisch examen een negatief bindend studieadvies ontving van de onderwijsinstelling INHolland. De student had tegen een afwijzing van een extra toetsmogelijkheid beroep ingesteld bij het College van Beroep voor de Examens (CBE) en het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO), maar geen beroep tegen het bindend studieadvies zelf.
INHolland stelde dat de civiele rechter niet bevoegd was omdat het CBHO exclusief bevoegd is voor geschillen op grond van de WHW. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat op grond van artikel 112 Grondwet Pro de student vrij is te kiezen tussen het CBHO en de civiele rechter, mits het geschil privaatrechtelijk van aard is. Omdat de student geen beroep had ingesteld bij het CBHO tegen het bindend studieadvies, kon zij haar vorderingen wel aan de civiele rechter voorleggen.
De voorzieningenrechter beoordeelde vervolgens de inhoud van het bindend studieadvies marginaal en concludeerde dat het beroep bij het CBE en CBHO reeds met waarborgen was behandeld en verworpen. De vorderingen van de student werden daarom afgewezen. Ook een verzoek tot herziening van het bindend studieadvies werd afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien dit verzoek nog niet was ingediend.
De voorzieningenrechter veroordeelde de student tot betaling van de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de civiele rechter bevoegd is om geschillen te behandelen indien de student geen beroep heeft ingesteld bij het CBHO, maar de inhoudelijke vorderingen werden afgewezen.
Uitkomst: De vorderingen van de student worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.