ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6234
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Irak
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn geplande uitzetting naar Irak en verzocht om een voorlopige voorziening om deze uitzetting te voorkomen. De rechtbank beoordeelde of aan de formele vereisten voor het treffen van een voorlopige voorziening was voldaan en concludeerde dat verzoeker een spoedeisend belang heeft, aangezien de uitzetting op korte termijn gepland stond.
De rechter onderzocht vervolgens de materiële gronden. Verzoeker voerde aan dat de Iraakse autoriteiten geen geldige toestemming hadden gegeven voor zijn uitzetting, mede omdat hij slechts een verlopen paspoort op een andere naam bezit en niet meewerkt. Verzoeker stelde dat de jurisprudentie inzake uitzetbaarheid van Irakezen sinds 2011 is gewijzigd en dat uitzetting zonder geldig paspoort niet wordt geaccepteerd.
De rechtbank stelde vast dat ondanks de gewijzigde omstandigheden en jurisprudentie de bevoegde autoriteiten in Irak opnieuw toestemming hadden gegeven voor de uitzetting na contact en het toezenden van stukken. De rechter vond geen reden om aan deze toestemming te twijfelen. Ook was er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de asielaanvraag rechtvaardigen.
Daarom concludeerde de rechtbank dat het bezwaar tegen de uitzetting geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Irak wordt afgewezen.