ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6507
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding van minderjarige kinderen naar Ivoorkust na ongeoorloofde achterhouding in Nederland
De zaak betreft de teruggeleiding van twee minderjarige kinderen naar Ivoorkust, nadat zij tijdens een vakantie bij de moeder in Nederland zijn achtergebleven en niet zijn teruggekeerd naar hun vader in Ivoorkust. De vader verzoekt op grond van de Uitvoeringswet toepassing van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) terugkeer van de kinderen.
De moeder beroept zich op weigeringsgronden uit artikel 13 van Pro het HKOV, waaronder een politiek instabiele situatie in Ivoorkust en huiselijk geweld door de vader, alsmede het verzet van de kinderen tegen terugkeer. De rechtbank oordeelt dat de moeder deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. De politieke situatie in Ivoorkust is volgens de rechtbank niet meer onveilig, en de vader heeft veiligheidsmaatregelen getroffen. Huiselijk geweld is niet aannemelijk gemaakt, mede gezien de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en het verhoor van het oudste kind.
De jongste minderjarige is te jong om met zijn mening rekening te houden en heeft geen verzet getoond. Het oudste kind heeft een voorkeur voor Nederland uitgesproken, maar dit wordt niet als verzet in de zin van het verdrag gezien. De rechtbank gelast daarom de onmiddellijke terugkeer van de kinderen uiterlijk 30 juni 2012. Tevens wordt de moeder veroordeeld tot betaling van de advocaatkosten van de vader. De proceskosten worden verder gecompenseerd.
Uitkomst: De rechtbank gelast de terugkeer van de minderjarige kinderen naar Ivoorkust uiterlijk 30 juni 2012 en veroordeelt de moeder tot betaling van de advocaatkosten van de vader.