AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging inreisverbod wegens onbevoegde oplegging door hulpofficier van justitie
Eiser ontving op 6 januari 2012 een terugkeerbesluit met een inreisverbod van tien jaar opgelegd door verweerder. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en betoogde onder meer dat terugkeer naar Algerije onmogelijk is en dat de ongewenstverklaring van 2006 vervallen is. De rechtbank oordeelt dat de ongewenstverklaring uit 2006 onherroepelijk is en daarmee het terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen. Hierdoor is het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van het inreisverbod stelt de rechtbank vast dat dit is opgelegd door een hulpofficier van justitie, die niet bevoegd is volgens artikel 6.5, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Omdat eiser onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf met een gevangenisstraf van meer dan drie jaar, zijn de rechtsgevolgen volgens artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verbonden aan het inreisverbod. Alleen een ambtenaar van de IND is bevoegd dit inreisverbod op te leggen. Daarom is het inreisverbod onbevoegd opgelegd en wordt het vernietigd.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van €874 voor de door eiser gemaakte redelijke kosten van rechtsbijstand. Een verzoek tot vergoeding van een voorschot wordt afgewezen omdat onduidelijk is waar dit betrekking op heeft en er geen griffierecht is geheven.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen het terugkeerbesluit, verklaart het beroep gegrond tegen het inreisverbod en vernietigt het inreisverbod in het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard en het inreisverbod is vernietigd wegens onbevoegde oplegging.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Dordrecht
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
procedurenummer: AWB 12/1873, V-nummer: [nummer],
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in het geding tussen
[naam], eiser,
gemachtigde: mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam,
en
de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,
gemachtigde: mr. J.F. Huising, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).
1. Ontstaan en loop van het geding
Op 6 januari 2012 heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser uitgereikt en is aan eiser een inreisverbod opgelegd.
Tegen dit besluit heeft eiser op 15 januari 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.
Op 17 januari 2012 heeft verweerder dit bezwaar op grond van artikel 6:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden ter behandeling als een beroepschrift aan de rechtbank 's-Gravenhage.
De zaak is op 2 maart 2012 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.
Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Het wettelijk kader
Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) dient de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 bepaaldePro termijn.
Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 dient de vreemdeling, nadat zijn rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.
Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, kan voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt Onze Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 nietPro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.
Ingevolge artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, in afwijking van het zesde lid en artikel 8 enPro met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeftPro ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:
a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;
(..)
Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, wordt het inreisverbod uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is, indien daaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.
Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de van de Richtlijn 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt een inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan dan een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
2.2. Het bestreden besluit
Verweerder heeft aan eiser op grond van artikel 62 vanPro de Vw 2000 een terugkeerbesluit uitgereikt met een onmiddellijke vertrekplicht van het grondgebied van de Europese Unie. Tevens is een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Uit het gehoor met eiser is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan afgezien zou moeten worden van de uitreiking van dit inreisverbod.
2.3. De gronden van het beroep
Eiser kan zich niet verenigen met het terugkeerbesluit en het inreisverbod en voert ter vernietiging daarvan, samengevat, het volgende aan. Het is voor eiser onmogelijk om terug te keren naar Algerije. Verder is de ongewenstverklaring van eiser op 18 oktober 2011 van rechtswege vervallen. Tevens heeft verweerder nagelaten vast te stellen wat de nadelige gevolgen van de uitzetting zullen zijn voor eiser. Eiser dient op grond van artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn een verblijfsvergunning worden verleend. Ten onrechte heeft verweerder hier geen onderzoek naar gedaan.
2.4. Het oordeel van de rechtbank
2.4.1. Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft de Ministerie van Vreemdelingenzaken en Integratie eiser ongewenst verklaard en hem meegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Het hiertegen door eiser ingestelde bezwaar is bij besluit van 27 december 2006 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld, zodat de ongewenstverklaring van eiser in rechte vast staat. Voornoemde ongewenstverklaring is een administratieve beslissing waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van eiser illegaal is en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. Gelet hierop is dit besluit mede aan te merken als een terugkeerbesluit (vergelijk artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn). Niet is gebleken dat eiser gevolg heeft gegeven aan de hem bij besluit van 18 oktober 2007 opgelegde verplichting Nederland te verlaten. Onder deze omstandigheden is het terugkeerbesluit van 6 januari 2012 onverplicht en ten overvloede genomen. Herroeping van dat besluit brengt eiser niet in een gunstiger positie. Niet is gebleken dat eiser desondanks belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het beroep voor zover hiertegen gericht is derhalve niet-ontvankelijk.
2.4.2. Het inreisverbod is onbevoegd opgelegd. Bij het bestreden besluit is door een hulpofficier van justitie, tevens inspecteur van de politie, namens verweerder een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod uitgevaardigd. Uit de ongewenstverklaring van eiser van 18 oktober 2007 volgt echter dat eiser onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van meer dan drie jaar (artikel 225 enPro 231 van het Wetboek van strafrecht). Gelet op artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 zijn aan het inreisverbod de rechtsgevolgen verbonden zoals genoemd in dit artikel. Gezien artikel 6.5, tweede lid van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is in het onderhavige geval alleen een ambtenaar van de IND bevoegd tot het opleggen van een inreisverbod. Hieruit volgt dat de hulpofficier van justitie onbevoegd was het inreisverbod uit te vaardigen. Derhalve is het beroep tegen het inreisverbod gegrond en moet het bij het bestreden besluit aan eiser opgelegde inreisverbod worden vernietigd.
2.4.3. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). Eiser verzoekt tot een vergoeding van een verschot van € 152,- voor "vast recht". Voor zover eiser hiermee een vergoeding van het griffierecht bedoelt, stelt de rechtbank vast dat in deze zaak geen griffierecht is geheven. Voor het overige is het onduidelijk wat voor voorschot eiser hier eventueel mee bedoelt, zodat het verzoek tot vergoeding hiervan wordt afgewezen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.
Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank 's-Gravenhage,
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit;
- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het inreisverbod;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod is opgelegd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van
het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiser.
Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en mr. M. Noordegraaf, griffier, ondertekend.